woensdag 13 oktober 2010

Biechtspiegel versie 3

Bron: Handboek der congreganisten van Maria, Brepols Turnhout, p. 280-289

11.1. Zonden die in de biecht zelf bedreven worden
Zich plichtig maken aan een grote onachtzaamheid in het onderzoeken van zijn geweten.
Een doodzonde, of enige omstandigheid, die de zonde van slag verandert, van dagelijkse zonde doodzonde maakt, of een dodelijk kwaad er bij voegt (die men weet noodzakelijk te moeten uitgedrukt worden), verzwijgen.
Met voorbedachtheid te stil spreken, om van de biechtvader niet wel gehoord te worden; duistere uitdrukkingen en om redenen gebruiken, om niet wel verstaan te worden.
Biechten zonder genoegzaam berouw..., zonder goed voornemen..., zonder voornemen van alle doodzonden te vluchten; - van het onrechtvaardig goed weder te geven; van de afbreuk, aan de eer en de faam van de evennaaste toegebracht, te herstellen; - van zich met zijn vijanden te verzoenen; - van zekere lezingen te verzaken; - van de naaste en vrijwillige gelegenheden van doodzonde te verlaten, enz.

11.2. Geboden Gods

11.2.1. Eerste gebod: Bovenal, bemin één God
- Vrijwillig twijfelen aan het geloof...; andere in zulke twijfels brengen.
- Zijn toestemming aan de een of andere artikel van het geloof weigeren...; hierover aan anderen spreken.
- Spreken tegen de godsdienst of zijn dienaren.
- De leerlingen en oefeningen van de godsdienst belachelijk maken.
- Met vermaak horen spreken tegen het geloof...; tegen de godsdienst..., of zijn dienaren. Degenen die zulke redenen voeren, aanmoedigen.
- Zonder toelating ongodsdienstige en goddeloze boeken bewaren.
Deze lezen; - aan andere personen lenen; - aan hoeveel?
- Met personen omgaan, met welke men zich in gevaar stelt het geloof te verliezen.
- Openbare belijdenis te doen van niet godvruchtig te zijn. - Anderen om hun godvruchtigheid vervolgen.
- Verzuimen zich in zijn godsdienst te onderrichten. - De gebeden niet weten, welke elke christen mensen moet weten, als: de geloofsbelijdenis, de geboden Gods en van de H. Kerk, de akten van geloof, hoop en liefde.
- Met meer vrijheid zondigen, omdat God zo goed is. - Van de goddelijke barmhartigheid wanhopen.
- Geloof geven aan bijgelovigheid. - Bijgelovigheid gebruiken.
- Heiligschennende biechten en communiën doen.
- Ten dele of ten gehele de straf of penitentie, door de biechtvader opgelegd, nalaten.
- Het heilig Sacrament van het Vormsel of een ander Sacrament der levenden, in staat van doodzonde ontvangen.

11.2.2. Tweede gebod: Zweer niet ijdel, vloek noch spot
- De naam Gods, de Heiligen of heilige zaken lasteren.
- Vermaak nemen in te horen lasteren.
- Anderen tot lasteren brengen. - Hen aanmoedigen, wanneer zij de lastertaal spreken.
- Inwendig in zijn hart God als onrechtvaardig, enz., aanschouwen, Hem lasteren.
- Tegen de waarheid of zonder noodzakelijkheid zweren.
- Met eed beloven, zonder de wil te hebben zijn belofte te volbrengen.
- Met eed bevestigen dat men kwaad zal doen? - welk kwaad?
- Niet nakomen hetgeen men onder eed beloofd heeft, wanneer daarenboven de zaak eerlijk en geoorloofd is.
- Beloften aan God doen, zonder deze te volbrengen.

11.2.3. Derde gebod: Heilig steeds de dag des Heren
- Op de zondagen en geboden feestdagen nalaten de H. Mis te horen.
- Door zijn schuld in dezelfde H. Mis veel te laat te komen.
- Daarin vrijwillig, gedurende een merkelijke tijd, verstrooid zijn.
- Andere in de H. Mis verstrooien.
- Op zondagen en geboden feestdagen doen arbeiden of zelf slaafse werken verrichten.

11.2.4. Vierde gebod: Vader, Moeder zult gij eren
- In gewichtige zaken aan zijn ouders of aan zijn oversten niet gehoorzaam zijn.
- Hen inwendig verachten.
- Hen haten. - Hen mishandelen.
- Hen belachelijk maken. - Kwaad van hen zeggen.- Hen in grote gramschap stellen.
- Inwendig tegen hen uitvallen.
- Hun de dood of enig ander groot kwaad toewensen.
- Door zijn slecht gedrag hen bedroeven.
- Hun raad..., hun vermaningen verachten.

11.2.5. Vijfde gebod : Dood niet, geef geen ergernis
- De wil hebben zich te wreken; - hoeveel tijd? - Anderen de dood of enig ander groot kwaad toewensen.
- Haat dragen.
- Zich zelf de dood toewensen.
- Zijn gezondheid beschadigen, zich door eigenzinnigheid of door begeerlijkheid ziek maken.
- Aan zijn evennaaste naar ziel of naar lichaam zoeken kwaad te doen; - welk kwaad? - Hem inderdaad kwaad doen.
- De evennaaste in zijn faam beschadigen. (Zie het achtste gebod).
- Anderen het kwaad aanleren; welk kwaad? - hen daartoe aanlokken.
- Aan de zonden van zijn naaste toejuichen, aan zijn ongeregeldheden, aan zijn ongodvruchtigheid.
- De geest van godvruchtigheid door slechte voorbeelden en spotternijen in hem trachten uit te doven.
- Enig groot kwaad niet beletten, wanneer zulks kan door zichzelf, of door een ander. - Tussen personen of huisgezinnen de tweedracht zaaien en voeden, en vijandschap koesteren.

11.2.6. Zesde en negende gebod: Doe nooit wat onkuisheid is en wees steeds kuis in uw gemoed.
- Vrijwillige gedachten hebben tegen de zuiverheid.
- Begerig onkuise werken te gegaan; - met welk slag van personen?
- Onkuise beelden of schilderijen aanschouwen; - deze in zijn huis hebben.
- Kijken naar seksueel getinte beelden op internet
- Op zichzelf of op anderen een onkuise oogopslag werpen.
- Boeken of schriften bezitten, welke met de goede zeden strijdig zijn.
- Deze lezen; - aan anderen lenen; - aan hoeveel personen?
- Slechte spreuken uit een schrijver aan andere tonen.
- Redevoeringen, tegenstrijdig aan de zuiverheid, houden.
- Zich roemen over zonden, tegenstrijdig aan deze deugd, en welke men niet bedreven heeft.
- Slechte liederen zingen; - zulke aan anderen leren.
- Vermaak nemen in zulke gezangen of redevoeringen te horen. - De plichtigen aanmoedigen, in plaats van hen te doen zwijgen, wanneer men dit kan doen.
- Anderen het kwaad uitleggen; - welk kwaad?
- Hen aanlokken om het te bedrijven.
- Dit zelf bedrijven, alleen of met anderen. - Daartoe gelegenheid zoeken.
- Met slecht gezelschap verkeren; - in dansfeesten, bals, burgerlijke of andere comediën tegenwoordig zijn: zich daar voedende in allerlei slechte gedachten en begeerten, zich daar onkuise oogopslagen en onzuiver woorden veroorlovende.
- Met anderen verkeren of gemeenzaamheid onderhouden, die bekwaam is de zuiverheid te kwetsen.
- Vermaak nemen in onzuivere spelen.

11.2.7. Zevende en tiende gebod: Vlucht het stelen en ‘t bedriegen en begeer nooit iemands goed
- Een anders goed nemen; hoeveel?... in hoeveel keren? Weigeren hetzelfde weder te geven.
- Begeren dit te doen. - Daartoe de wil hebben. - Daartoe de gelegenheid zoeken.
- De evennaaste in zijn goederen schade toebrengen; welke schade?
- Zijn tijd, die men moet besteden, met de werken voor anderen, in ledigheid overbrengen.
- Beschadigen hetgeen ons niet toebehoort; hetzelfde verkopen.
- Onrechtvaardigheden begaan in het kopen en verkopen. - De koopwaren vervalsen. - Andere onrechtvaardigheden helpen begaan.
- Zijn ouders bestelen, hen bedriegen om geld te hebben; hetzelfde in de drank of in het spel verkwisten.
- Te lang zijn schulden uitstellen te betalen.
- De plicht van vergoeding of restitutie verzuimen.

11.2.8. Achtste gebod: Ook de achterklap en ‘t liegen
- Liegen in zaken van groot belang
- Voor geestelijke of wereldlijke overheden valse getuigenis afleggen.
- Achterklap spreken; - het kwaad zeggen, dat men van zijn evennaaste weet; welk kwaad? ... Ach hoeveel personen?
- De evennaaste valselijk beschuldigen; dat is: van hem kwaad zeggen, dat hij niet heeft gedaan, welk kwaad?... in tegenwoordigheid van hoeveel personen?
- Met genoegen de achterklappers aanhoren. Hen ondervragen. - Hen toejuichen.
- Vrijwillig en zonder genoegzame reden kwaad van zijn evennaaste vermoeden.
- Anderen zijn kwaad vermoeden en vermetel oordeel mededelen; - aan hoeveel personen?
- Het herstellen van het kwaad, welk men aan de faam van zijn naaste gedaan heeft, verzuimen.
- Brieven, voor anderen beschikt, overlezen.
- Een anders biecht overlezen of naar deze luisteren. Aan anderen vertellen hetgeen men ervan gelezen of gehoord heeft.

11.3. De zeven hoofdzonden

11.3.1. Hovaardigheid
- In zijn goede werken de lof en de eer van de mensen betrachten.
- De deugdzaamheid niet durven laten blijken, uit vreze van veracht te worden.
- Het kwaad doen of zich over zijn zonden roemen, om de achting der mensen te bekomen.
- Anderen grotelijks verachten.

11.3.2. Gierigheid
- De wereldse rijkdommen met drift beminnen. Om de wereldse rijkdommen zijn zaligheid verzuimen.
- Naar zijn vermogen geen aalmoezen geven. (verder zie zevende gebod)

11.3.3. Onkuisheid
- Zie het zesde gebod

11.3.4. Nijd
- Zich bedroeven omdat anderen welvaren, tot geluk of tot eer komen. Zich over hun ongeluk verblijden.

11.3.5. Gulzigheid
- In het eten en drinken onmatig zijn.
- Zich dronken drinken.
- Anderen tot onmatig eten en drinken verleiden.

11.3.6. Gramschap
- Zich vergrammen.
- Scheldwoorden spreken.

11.3.7. Traagheid
- Verzuimen zich in zijn godsdienst te onderwijzen.
- Zich in de plichten van zijn staat niet onderwijzen.
- Zich verzuimen.
- In de bekoringen niet bidden gelijk het behoort.
- Het gebed, de oefeningen van godvruchtigheid, de HH. Sacramenten en andere middelen van zaligheid, welke zo hoog nodig zijn, bijzonder als men slechte gewoonten heeft, uit nalatigheid verwaarlozen.

Geen opmerkingen: