dinsdag 27 juni 2017

§ 49. Maar de Roomse Mis is toch duidelijk een verloochening van het Kruisoffer en daarom een duivelswerk?

Rustig maar, vriend, voorzichtig. Bedenk wel even dat de hele Katholieke Kerk het H. Misoffer van het begin af aan heeft beschouwd als het heiligste en meest verheven wek van de hele christelijke godsdienst. Vijftienhonderd jaar was er verlopen voordat de zogenaamde Hervorming ons kwam vertellen dat de Mis absoluut moest worden afgeschaft, omdat, zoals zij beweerden, de leer van de Katholieke Kerk over de H. Mis tekort deed aan de oneindige waarde van het Kruisoffer. De Mis was volgens hen niets meer of minder dan een verloochening van het ene Offer, dat Christus eens voor ons op de Calvarieberg heeft opgedragen.

Ik denk, lezer, als u iets dieper nadenkt, zal waarschijnlijk snel de vraag bij u opkomen hoe het dan mogelijk is dat tijdens de voorafgaande 15 eeuwen, van die verloochening van het Kruisoffer, (d.i. het werkelijke verlossingswerk) door niemand iets werd opgemerkt. In dit tijdperk zijn er toch honderden katholieke geleerden geweest, die het echt niet ontbrak aan verstand of scherpzinnigheid. Zouden bijv. godgeleerden zoals H. Thomas van Aquino, H. Bernardus, H. Anselmus en zoveel andere uitmuntende mannen, wiens namen ik in de vorige paragraaf heb genoemd, niet genoeg op de hoogte zijn geweest van de leer van de Katholieke Kerk? Integendeel, juist omdat zij daarvan volkomen op de hoogte waren, konden zijn van die verloochening van het Kruisoffer niets merken; en ik geloof, dat u er ook niets meer van merken zult, als ik u de katholieke leer laat zien zoals zij werkelijk is.

Kijk maar. Volgens de leer van de Katholieke Kerk is de H. Mis een waarachtige, onbloedige Offerande, waarin Christus zich onder de gedaanten van brood en wijn aan Zijn hemelse Vader voor ons opdraagt.

Maar leert de Katholieke Kerk daarom, dat het bloedig Offer van Christus aan het kruis niet genoeg is voor onze verlossing? Nee, dat leert zij absoluut niet. Integendeel, zij leert, net als alle orthodoxe Protestanten, dat Christus door zijn bloedig offer aan het kruis niet alleen een toereikende, maar zelfs een overvloedige voldoening, een voldoening van oneindige waarde, heeft gegeven voor alle zonden van de hele wereld. Zij leert dat de genadeschat die Christus voor ons door Zijn Kruisoffer heeft verdiend, onuitputtelijk groot is en dus meer dan voldoende is, om alle mensen voor eeuwig zalig te maken. De Katholieke Kerk erkent dus, dat de losprijs voor onze zondeschuld aan het kruis door Christus helemaal werd afbetaald. Door dat bloedig offer werd het werk van onze verlossing in zoverre helemaal voltrokken, dat alle genaden die ons ooit worden geschonken, daar aan het kruis werden verdiend.

Maar wij moeten delen in de genaden en verdiensten van dat bloedig Kruisoffer; de eens gestorte losprijs moet ons worden uitbetaald, en inderdaad ons bezit worden, zodat iedereen, daarmee strijdend, de hemel kan verdienen. (Verg. Luc 19, 13 e.v.) Dit gebeurt door de genademiddelen die Christus daarvoor aan Zijn Kerk heeft geschonken en hierbij hoort vooral het onbloedig H. Misoffer.

Wanneer dus, volgens de leer van de Katholieke Kerk, Christus in het H. Misoffer zich voor ons opdraagt, dan is dat niet om bij de verdiensten van zijn Kruisoffer nog andere, nieuwe verdiensten te voegen; maar alleen om dezelfde oneindige verdiensten van Zijn kruisdood op ons toe te passen.

Hier zien we dus in een paar zinnen de leer van de Katholieke Kerk over de waarde van het H. Misoffer en u ziet meteen, dat door die leer, aan de oneindige waarde van het bloedig Kruisoffer hoe dan ook geen afbreuk wordt gedaan; integendeel, omdat wij belijden dat de H. Mis al haar heiligende kracht alleen uit de verdiensten van Christus’ Kruisoffer put, zien we hierdoor alleen maar duidelijker de oneindige waarde van Christus’ Kruisoffer.

zondag 18 juni 2017

§ 48. Is de eerbied die de Katholieken hebben voor het Sacrament van het Altaar geen afschuwelijke afgoderij?

VIJFDE HOOFDSTUK - Het H. Sacrament van het Altaar

§ 48. Is de eerbied die de Katholieken hebben voor het Sacrament van het Altaar geen afschuwelijke afgoderij?

Het is absoluut waar dat de Katholieken de H. Hostie of het Heilig Sacrament van het Altaar aanbidden. Als dat afgoderij zou zijn, is het echt droevig gesteld met hen, want een afgodendienaar zijn is werkelijk iets afschuwelijks.

Laten we dus eens kijken of de Katholieken zich inderdaad aan die gruwel schuldig maken. In het laatste Avondmaal nam Christus zoals we weten, het brood in Zijn handen, zegende en brak het terwijl hij zei: ‘Neemt en eet, dit is Mijn lichaam’. Ook nam Hij de kelk en sprak: ‘Drinkt hier allen uit, dit is Mijn bloed; doet dit tot Mijn gedachtenis.’ (Matth. 26, 26-28; Mark. 14, 22-24; Luc. 22, 19-20; 1 Kor. 11, 23-25.)

Betekenen deze woorden nu wat zij zeggen, dan was datgene wat Christus hier tot spijs en drank aanbood, werkelijk zijn eigen goddelijk Lichaam en Bloed. Maar moeten zij begrepen worden in een figuurlijke zin, bijv. heeft Christus alleen willen zeggen: dit betekent Mijn Lichaam, dit betekent Mijn Bloed, dan was datgene wat Christus hier gaf als spijs en drank, niet werkelijk Lichaam en Bloed, maar gewoon brood en wijn.

Alles hangt dus af van de vraag, hoe we deze woorden van Christus moeten interpreteren, letterlijk of figuurlijk?

Merken we eerst op, dat die allerbelangrijkste woorden, in de letterlijke zin verstaan, heel duidelijk en eenvoudig zijn, en wanneer we het in de figuurlijke zin bekijken, tot zoveel verschillende verklaringen aanleiding geven, dat er in de tijd van Luther zelf al dozijnen van waren.

Merken we ten tweede op dat het een vaste regel van de Schriftverklaring, of liever van alle uitlegging is: versta de woorden in de letterlijke zin zolang het nog niet duidelijk is dat het figuurlijk bedoeld wordt. En waaruit zou dat hier moeten blijken? Nergens uit.

Bovendien, welke woorden had Christus dan moeten gebruiken, als hij ons inderdaad Zijn Lichaam en Bloed onder de gedaanten van brood en wijn had willen geven? Hij kon namelijk niet eenvoudiger en helderder spreken.

Maar dit alles buiten beschouwing gelaten, zou u echt denken dat Christus de beslissing van zo’n belangrijke vraag, of Zijn woorden hier nu zus of zo moet worden verstaan, zo maar aan het oordeel van iedereen zou overlaten? Dat Christus iedereen het recht heeft gegeven om op eigen gezag te bepalen wat deze woorden betekenen? Nee, daar kunnen we, met recht, gewoon niet van uit gaan.

Al week Luther zover van de leer van de Katholieke kerk af dat hij niet geloofde, dat door die woorden van Christus het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus werden veranderd, toch leerde hij dat Christus met en in het brood en de wijn, werkelijk Zijn goddelijk Lichaam en Bloed tot spijs en drank gaf.

Calvijn daarentegen beweerde, dat wat Christus aan Zijn Apostelen schonk, eigenlijk en werkelijk niets anders was dan brood en wijn.

Deze twee uitleggingen hebben een hemelsbreed verschil. De één zegt: Christus zelf is er, maar met en in het brood; de ander zegt: Christus zelf is er niet, er is alleen brood. Moeten we zelfs niet toegeven dat Luther’s opvatting meer verschilt van die van Calvijn, dan van de Katholieke Kerk zelf? Aan welke van de twee moet men zich nu houden? Wie van hen kwam het dichtst bij de waarheid? Of zou dat niet uitmaken? Zou het Christus koud laten welke betekenis men aan Zijn woorden geeft? Of men nu gelooft dat Hij in het Sacrament tegenwoordig is of niet, en daar naar handelt? Daar zou niets van waar zijn.

Het is dus niet mogelijk dat Christus iedereen het recht zou hebben gegeven om op eigen gezag te beslissen, wat Hij eigenlijk met Zijn woorden bedoelde. Nee, dat recht hebben alleen de dragers van het leergezag van Zijn Kerk, tot wie Hij heeft gezegd: ‘Gaat en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen.’ ‘Onderwijst alle volken en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.’ (Mark.16, 15; Matth. 28, 19)

Van de Kerk krijgen wij dus te horen wat Christus heeft geleerd, zij moet beslissen, welke betekenis de woorden van Christus hebben. En op haar beslissing kunnen wij volkomen vertrouwen. Waarom? Omdat Christus heeft beloofd haar de Geest der waarheid te zenden, die met haar zal blijven in eeuwigheid; en Hij heeft ook gezegd: ‘Ik ben met u tot aan het einde der eeuwen’.

Ook heeft Christus tot Zijn Kerk gezegd: ‘Wie u hoort, hoort Mij, wie u versmaadt, versmaadt Mij.’ Christus heeft ons dus in geweten verplicht, de leer van Zijn Kerk als Zijn eigen leer te erkennen en te geloven. Maar het is duidelijk dat Christus ons dat niet zou kunnen verplichten als hij ooit zou toelaten dat Zijn Kerk iets zou leren, wat met Zijn leer in strijd is, zoals wij hierboven uitvoerig hebben laten zien.

Hoe werden dan die belangrijke woorden die Christus sprak tijdens het laatste Avondmaal, altijd door de Kerk uitgelegd en opgevat?

Het is zeker, dat tot aan de tijd van de Hervorming (tot aan het begin van de 16e eeuw) het hele Christendom die woorden van Christus letterlijk opnam, in dezelfde zin als het nu nog door de hele Katholieke Kerk wordt opgevat en verklaard.

Ook is het zeker, dat alle kerken en godsdienstige sekten, die zich in die tijd met enige schijn van reden zich ‘Kerk van Christus’ durfde te noemen, geloofden en leerden, dat door de woorden van Christus: ‘Dit is Mijn lichaam... dit is Mijn bloed,’ het brood en de wijn werkelijk in het lichaam en bloed van Christus werden veranderd, zodat Christus ons geen brood of wijn, maar werkelijk Zijn eigen lichaam en Bloed te eten en drinken gaf.

Ook geloofde toen iedere Christen dat in de H. Mis, wanneer de priester deze woorden herhaalt, weer diezelfde wonderbare verandering plaatst heeft, zodat, zodra de priester deze woorden heeft uitgesproken, Christus werkelijk en wezenlijk op het altaar tegenwoordig is in de gedaanten van brood en wijn.

Pas in de 11e eeuw trad een zekere Berengerius tegen dit geloofspunt op en probeerde een andere leer te verspreiden. Maar zijn poging mislukte. Zijn leer werd algemeen veroordeeld en verworpen en het hele Christendom ging rustig door met steevast te geloven dat Christus werkelijk tegenwoordig is in Zijn H. Sacrament.

Zo stonden de zaken nog in het begin van de 16e eeuw. Toen werd de Katholieke leer over de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament nog algemeen geloofd en beleden, niet alleen door de Katholieken zelf, maar zelfs ook door die sekten, die zich al lang geleden van de Katholieke Kerk hadden losgescheurd.

Maar dan is het toch duidelijk, dat die leer ook de leer moet zijn geweest van de ware Kerk van Christus? De kerk namelijk die, volgens u in die tijd de ware Kerk van Christus was, moet toch in ieder geval een van die kerken zijn die toen bestonden.

Of gelooft u dat de ware Kerk toen niet meer bestond en spoorloos verdwenen was? Dat kan immers niet; dat zou regelrecht in strijd zijn met de belofte van Christus dat hij met ons zou zijn tot aan het einde van de eeuwen.

Was ze toen misschien onzichtbaar? Dat is net zo goed onmogelijk. De ware Kerk van Christus, zoals we al hebben gezien, moet zichtbaar zijn, zij moet gezien en gekend kunnen worden. Om dit nog even aan te stippen, Christus wil uitdrukkelijk dat alle mensen zich aan de leer en de leiding van Zijn Kerk onderwerpen; maar hoe zouden de mensen die wil van Christus kunnen volbrengen als Zijn Kerk onzichtbaar en daarom onherkenbaar was?

Wij moeten daarom dus zo redeneren:

De leer, dat de woorden van Christus: ‘dit is Mijn Lichaam.... dit is Mijn Bloed’, letterlijk moeten worden opgevat, dat dus Christus in het Heilig Sacrament onder de uiterlijke tekenen van brood en wijn werkelijk tegenwoordig is, was de leer van alle Christen kerken die tot in het begin van de 16e eeuw bestonden; tot die Christen kerken  die in het begin van de 16e eeuw bestonden, hoorde ongetwijfeld ook de ware Kerk van Christus; daarom was de leer, dat Christus werkelijk in het Heilig Sacrament tegenwoordig is, toen ook de leer van de ware Kerk van Christus.

En als dit zo is, dan is het weer één van beide: of die leer is vals, en dan heeft de Kerk van Christus vijftien eeuwen lang gedwaald in één van de belangrijkste geloofspunten; óf die leer is waar, en dan is de godsdienst die dat leerstuk ontkent, niet de ware Kerk van Christus. Kies wat u wilt.

Toch zou ik ook hier weer graag het volgende willen opmerken:

Vijftienhonderd jaar werd de leer van de Katholieke Kerk over de ware tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament door de hele christenwereld geloofd en beleden. Zij werd niet alleen door het gewone volk geloofd en beleden, maar ook door iedereen die zowel door talenten en geleerdheid als door heiligheid hebben uitgemunt; door alle Kerkvaders en martelaren, door al de leraren die de H. Kerk heeft voortgebracht. En dan staat in de 16e eeuw een Luther, een Calvijn op, om aan de wereld die verrassing mee te delen dat die leer in strijd is met de waarheid en dat de Katholieken, door aan het H. Sacrament een goddelijke eer te bewijzen, zich schuldig maken aan de schandelijkste afgoderij.

De H. Thomas van Aquino, H. Bernardus, H. Anselmus, H. Gregrius de Grote, H. Leo, H. Johannes Chrysostomus, H. Cyrillus en zo veel anderen, die niet alleen om hun buitengewone deugd, maar ook om hun buitengewone geleerdheid het sieraad waren van hun tijd, zij zijn dus of zo onnozel geweest om van die afgoderij niets te merken, óf wat nog erger is, zo slecht dat zij zich met opzet aan afgoderij schuldig hebben gemaakt.

Neem mij niet kwalijk, lezer, dat wil er bij mij niet in. Om zo iets te geloven eis ik overtuigende bewijzen, en daarvoor ben ik niet tevreden met de verklaring van een Luther of Calvijn, die juist in hun leer over het H. Sacrament, elkaar bovendien vierkant hebben tegengesproken.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 10 juni 2017

§ 47. Is het Vagevuur, waarin de Katholieken geloven, niet slechts een verzinsel?

VIERDE HOOFDSTUK - Het Vagevuur


§ 47. Is het Vagevuur, waarin de Katholieken geloven, niet slechts een verzinsel?


De Katholieke Kerk leert, dat de zielen van diegenen die in Gods liefde zijn gestorven, maar toch bij de dood niet volledig waren gezuiverd van kleine fouten of van tijdelijke straffen, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen, voordat ze de hemel kunnen ingaan. De plaats waar de zielen die straffen moeten ondergaan, noemen wij in onze taal meestal het ‘Vagevuur’ d.i. zuiverings- of louteringsvuur, en nog duidelijker in de taal van de Kerk: ‘Purgatorium’ d.i. Zuiveringsplaats.
Hoe komt de Katholieke Kerk aan die leer? Want soms wordt haar verweten dat zij die gewoon verzonnen heeft en dat die leer absoluut niet is ingesloten in de goddelijke Openbaring. Is dit een gegrond verwijt?

Laten we kijken. In de H. Schrift, in 2 Makk. 12, lezen we het verhaal dat Judas, de veldheer van het Joodse leger, twaalfduizend drachmen naar Jeruzalem zond, om offers op te laten dragen voor zijn gesneuvelde soldaten. Daarop laat de H. Schrift onmiddellijk deze merkwaardige woorden volgen: ‘Bovendien overwoog hij, dat zij, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost’. (2 Makk. 12, 45) De H. Schrift verklaart dus, dat het goed en nuttig is voor de overledenen te bidden. Maar wie zijn dan die overledenen voor wie het goed is te bidden, zodat ze van hun zonden worden verlost? Vast niet de verdoemden in de hel. Zij kunnen namelijk niet worden geholpen door ons gebed, uit de hel, ‘het eeuwige vuur’ is geen redding mogelijk. Zijn het dan de Heiligen in de hemel? Zij evenmin, zij hebben geen schuld bij God en daarom ook geen behoefte aan onze voorbede. Alhoewel de H. Schrift het niet met heel veel woorden zegt, geeft zij toch duidelijk te kennen, dat er, behalve de hemel en de hel, nog een derde plaats moet zijn, waar die zielen worden opgehouden, die met kleinere schulden zijn gestorven en door onze gebeden van die schulden kunnen worden verlost.

Ik denk dat dit bewijs voor iedere Katholiek meer dan genoeg is. Ik zeg: voor iedere Katholiek; want de Protestanten hebben, met verschillende andere boeken, ook de boeken van de Makkabeën, verworpen. Zij erkennen niet dat zij deel uitmaken van de H. Schrift, en voor hen hebben dus de daaruit aangehaalde woorden hun bovennatuurlijke of goddelijke waarde en bewijskracht verloren; Ze zouden bij hen alleen voor de hoge ouderdom van de leer van het Vagevuur kunnen pleiten. Naar hun goeddunken wil ik mij daarom op nog een paar andere wijzen beroepen.

De H. Johannes verzekert ons in het boek Openbaring uitdrukkelijk, dat ‘niets wat besmet is de hemel kan binnengaan’ (21, 27). En is dit ook niet duidelijk? Want hoe zou onafgeloste schuld of straf samen kunnen gaan met volkomen geluk? Moet, zelfs in het gewone leven, iedere rekening niet naar behoren betaald worden? Hoe veel meer onze rekening bij God?

Wij zijn dus zeker, dat men helemaal zuiver en vlekkeloos moet zijn, om tot het geluk van de hemel te worden toegelaten. Maar nu zijn er ongetwijfeld heel veel mensen die bij hun sterven misschien wel geen grote, maar toch veel kleine zonden op hun geweten hebben. Ook kan het gebeuren, zoals we in de vorige paragraaf hebben gezien, dat iemand bij zijn dood, voor al vergeven zonden, groot of klein, nog wat tijdelijke straf bij God schuldig is. Voor de zielen van zulke overledenen blijft dus de hemel gesloten zolang zij met die schuldenlast beladen zijn.

Maar kunnen we er van uitgaan dat die zielen om zulke kleine fouten, bijv. een paar kleine leugens, een kleine onrechtvaardigheid of ongehoorzaamheid, nooit het geluk van de hemel mogen ervaren? Kunnen we ons voorstellen dat God die zielen om zulke kleine misstappen voor eeuwig, met de verdoemden, naar de hel zal sturen? Nee, zoiets komt niet overeen met Gods oneindige goedheid en rechtvaardigheid. Daarom zegt ons gezond verstand, dat er, behalve de hemel en de hel, wel een plaats moet zijn waar de zielen, die na hun sterven nog schuld aan Gods rechtvaardigheid moeten aflossen, volkomen gelouterd moeten worden voordat ze in de volle heerlijkheid van de hemel kunnen worden opgenomen.

Een derde bewijs levert ons het algemeen gebruik om voor de overleden zielen te bidden, dat al vanaf de eerste eeuwen in de Kerk bestaan heeft. In de 7e eeuw schrijft de H. Isodorus van Sevilla: ‘Wij geloven dat het bidden voor en het opdragen van het H. Misoffer voor de zielenrust van de overledenen en voor hen te bidden, ons door de Apostelen is overgeleverd, omdat dit gebruik overal in de Kerk wordt onderhouden.[1]

Al even duidelijk zijn de woorden van de H. Augustinus: ‘Men mag er niet aan twijfelen dat, door de gebeden van de Kerk en door het H. Misoffer, en net zo goed door het geven van aalmoezen, die omwille van de overledenen aan God worden geofferd, de zielen van de overledenen worden geholpen, zodat God barmhartiger voor hen zal zijn dan zij om hun zonden verdienen. Want dit gebruik om voor de overledenen te bidden, dat ons door onze voorvaderen werd overgeleverd, wordt door de hele Kerk onderhouden.[2]

Hier zouden we nog de getuigenissen kunnen toevoegen van de H. Chrysostomus, van de H. Cyrillus en van zoveel anderen; maar voor iets dat zo algemeen bekend is, zal dat wel niet nodig zijn.

Om toch nog iets toe te voegen, wil ik even in herinnering brengen hoe de H. Augustinus zelf in zijn Belijdenissen beschrijft dat zijn voorbeeldige moeder Monica op haar sterfbed hem verzocht, haar te gedenken aan het altaar van de Heer, en hoe hij ons tegelijk verzekert, dat hij na haar dood trouw voor haar zielenrust heeft gebeden.

Nu zal de Kerk waar de H. Augustinus, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Cyrillus en de H. Isodorus bij hoorden, toch wel de ware Kerk van Christus geweest zijn. Nou, in die Kerk bestond het algemeen gebruik om voor de overledenen te bidden. Maar zou de Kerk dat gedaan hebben als zij geloofde dat de zielen van de overledenen altijd of naar de hel of regelrecht naar de hemel gingen? Nee, de Kerk wist en leerde openlijk, dat diegenen die in de hemel zijn, ons gebed niet nodig hebben, en ons gebed voor de verdoemden in de hel absoluut nutteloos zou zijn. Daarom geloofde zij ook dat er behalve de hemel en de hel, een andere plaats bestaat, waar de zielen van diegenen die niet vanwege zware zonden naar de hel zouden worden gestuurd, maar toch niet zuiver genoeg zijn om onmiddellijk toegelaten te worden tot de hemel, gezuiverd moeten worden van haar zonde en schuld, en door onze gebeden verlicht en geholpen kunnen worden; en deze plaats noemt men de plaats van zuivering of het Vagevuur.



[1] 1 De Eccles offic. 1 Cap. 18: 11.

zondag 14 mei 2017

§ 46. Is de Katholieke leer over de aflaten niet dwaas en onzinnig?

Waarom? – Dan zegt men: ‘nou, omdat volgens die leer de Katholieken, als zij iets verkeerd hebben gedaan, alleen maar een gebedje of een goed werk hoeven te doen waar de Paus een aflaat aan heeft verbonden en dan is alles kant en klaar, vergeven en vergeten’. Lezer, als dat echt waar zou zijn, ben ik het helemaal met u eens, dat deze leer dwaas en onzinnig moet worden genoemd. Maar let op, ik zeg: als dat waar zou zijn, want – zou dat echt waar zijn? Om ons niet te vergissen, nemen we even een Katholieke Catechismus bij de hand. Daar vind ik op de vraag: ‘Wat is een aflaat?’ het volgende antwoord: ‘Een aflaat is de (hele of gedeeltelijke) kwijtschelding van tijdelijke straffen, die door de H. Kerk aan sommige goede werken verbonden wordt’. Ook lezen we: ‘Wordt door de aflaten ook kwijtschelding van zonde gegeven? Antwoord: Nee, nooit; want de aflaat is alleen de kwijtschelding van de tijdelijke straffen, die na de vergeving van de zonden zijn overgebleven.’

Hier zien we dus meteen
1. Dat er bij de aflaten hoe dan ook, geen sprake is van kwijtschelding of vergeving van zonden, maar van straffen, en;
2. Niet van de eeuwige, maar alleen van de tijdelijke straffen, die men, nadat de zonde en de eeuwige straf al zijn vergeven, nog bij God schuldig mocht zijn.
Hierdoor blijkt de zaak dus heel anders te zijn, dan het meestal door niet-Katholieken wordt voorgesteld.

Zo zien we dat wanneer de mens, na hij door de zonde Gods vriendschap heeft verloren, vergeving ontvangt van die zonde en zijn vriendschap met God weer wordt hersteld, niet meer bang hoeft te zijn voor de eeuwige straffen van de hel voor deze zonde, want de hel is niet voor Gods vrienden; maar hieruit volgt niet, dat daarmee ook al zijn tijdelijke straffen zijn kwijtgescholden.

Een voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van David. Hij had, zoals we weten, ernstig gezondigd. De profeet Nathan kwam hem zijn misstap even onder ogen brengen, en toen David zijn schuld bekende, en oprecht berouw toonde, gaf de profeet hem in naam van God de verzekering, dat de Heer zijn zonde had vergeven. En toch voorspelde de profeet hem tegelijkertijd dat hij om die zonde uit te boeten, nog zware, tijdelijke rampen en tegenspoed zou moeten ondervinden. Hieruit blijkt dus dat wanneer de mens gezondigd heeft vergeving kan krijgen van de belediging die hij God heeft aangedaan, en zijn liefde en vriendschap tot God weer kan hersteld worden, en toch tegelijkertijd, om die zonde uit te boeten, nog bepaalde tijdelijke straffen bij God schuldig kan zijn. Welnu, de tijdelijke straffen die soms nog overblijven nadat de zonde en de eeuwige straf al vergeven zijn, worden volgens de leer van de Katholieke Kerk, ons volledig of gedeeltelijk kwijtgescholden door de aflaten.

Als men dus beweert dat een Katholiek het buitengewoon makkelijk heeft, omdat hij alleen maar een aflaat hoeft te verdienen om vergeving van zonden te ontvangen, dan heeft men helemaal een verkeerd beeld van de leer van de Katholieke Kerk. Nee, de Katholiek moet eerst zorgen dat zijn zonde (de belediging die hij God heeft aangedaan) is uitgewist door een oprechte boetvaardigheid, door oprecht berouw en een rouwmoedig hart, en als dit is gebeurd, pas dan stelt de Kerk hem in de gelegenheid om door het verdienen van aflaten volledige of gedeeltelijke kwijtschelding  van de tijdelijke straffen te ontvangen, die hij voor zijn al vergeven zonden misschien nog schuldig is.

U zult zich misschien afvragen: ‘Maar hoe komt de Katholieke Kerk aan die macht om tijdelijke straffen kwijt te schelden?’

Die macht ontving de Kerk van Christus zelf, die tot Petrus zei: ‘Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en alles wat gij gebonden hebt op aarde, zal ook gebonden zijn in  de hemel, en alles wat gij ontbonden hebt op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.’ (Matth. 16, 19)

Door deze woorden werd, zoals we al hebben gezien, aan Petrus de hoogste volmacht in de Kerk van God geschonken, omdat de sleutels het beeld zijn van de opperste macht. En om het nog duidelijker te bevestigen en te verklaren, voegt Hij hieraan toe: ‘Alles wat u zult ontbonden hebben, zal ook bij God ontbonden zijn.’ Aan de Kerk is daarom in de persoon van Petrus de macht gegeven om alle banden te verbreken die de mensen kunnen beletten om hun eeuwige bestemming te bereiken. Die banden kan men onderscheiden in: de band van de zonde/schuld en de band van de straf, die eeuwig of tijdelijk kan zijn. Nu vraag ik u: als de Kerk, zoals wij aantoonden, in het H. Sacrament van de Biecht de macht bezit om de band van de zonde en van de eeuwige straf te verbreken, zou zij dan niet de macht hebben om de veel lichtere band van de tijdelijke straffen te ontbinden, terwijl bovendien Christus nadrukkelijk zegt: ‘Al wat gij zult ontbinden, zal ontbonden zijn?’ Maar nu zij die macht dus wel moet bezitten, dan bezit zij ook de macht om aflaten te verlenen, die in niets anders bestaat dan in volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van tijdelijke straffen.

Hierbij wil ik nog opmerken dat de Kerk, wanneer zij deze macht gebruikt, normaliter een of ander werk, vaak zelfs meerdere goede werken als noodzakelijke voorwaarden stelt.

Is dit alles nu zo onbegrijpelijk, dwaas en onredelijk? Ik denk niet, lezer, dat u dit zult volhouden. Waarom blijft men dan nog altijd in de katholieke leer over de aflaten een bewijs zoeken tegen de heiligheid van de Katholieke Kerk? Omdat men – en ik geloof meestal uit onwetendheid, maar vaak ook tegen beter weten in – die leer belachelijk maakt, door ze heel anders voor te stellen dan ze werkelijk is. Maar ik durf u nu ook te vragen: pleit het niet juist voor de Katholieke Kerk als zulke oneerlijke listen nodig zijn om de heiligheid van haar geloofsleer te bestrijden?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 6 mei 2017

De Bijbelverzen die ik nooit zag

Marcus Grodi (oprichter van het Coming Home Network)

Eén van de meer algemeen gedeelde ervaringen van protestantse bekeerlingen naar de katholieke kerk is de ontdekking van Bijbelverzen 'die we nooit hebben gezien'. Zelfs na jaren van het bestuderen, preken en onderwijzen van de bijbel, soms van kaft tot kaft, verscheen plotseling als bij verassing een vers dat we ‘nooit zagen' en dat wordt een 'Aha!' levensveranderende boodschap van geestelijk 'ondergang'! Soms is het gewoon het erkennen van een alternatieve, duidelijkere betekenis van een bekend vers, maar vaak, zoals bij sommige van de hieronder genoemde verzen, lijkt het letterlijk alsof een katholiek in de nacht binnen was geslopen en op één of andere manier het vers in de tekst had geplaatst!

De lijst van deze ‘verrassingsverzen’ is eindeloos, afhankelijk van de voormalige religieuze traditie van een bekeerling, maar de volgende verzen zijn een paar belangrijke die mijn hart veranderden op weg naar huis.

vrijdag 5 mei 2017

De waarheid over wat Luther leerde en gedaan heeft (DUITS)



Prof. Dr. Alma von Stockhausen geeft in deze video in het kort weer wat de visie van Luther is op zaken als verlossing, vrije wil, huwelijk en meer.
Voor wie meer wil leren: http://www.siewerth-akademie.de/cms/pdf-dokumente.html

dinsdag 18 april 2017

De Bijbel over Maria

Maria is de slangenvertrapster

Gen. 3:
15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.
God zet vijandschap tussen “u” (Satan) en de vrouw (Maria). In Openbaringen 12 zie je de vervulling hiervan. In vers 13 staat dat de draak (Satan) krijg voert tegen de vrouw (Maria) en daarna (zie vers 17) tegen haar zaad die de geboden van God bewaren (de gelovigen). De Bijbel begint en eindigt dus met de Satan die strijd voert tegen de vrouw en haar zaad.

Richteren 4: 17-24
17 Maar Sísera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.
18 Jaël nu ging uit, Sísera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.
19 Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.
20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.
21 Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
5: 24
24 Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!
Vele personen uit het Oude Testament verwijzen naar de Tweede Adam, Christus, die komen zou. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Mozes, Simson en David. Maar ook van de H. Maria, de Tweede Eva, vind je dergelijke beelden, zoals bovenstaand voorbeeld.
Na de overwinning van Israel op de Kanaänieten zongen Debóra, en Barak, de zoon van Abinóam, een overwinningslied waarin o.a. staat: "Maar gezegend zij Jaël onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven." Daarin herkent natuurlijk elke katholiek het Weesgegroet, waarin o.a. staat: "Gij zijt de gezegende onder de vrouwen." Jaël is ook een typisch beeld van Maria, zij verslaat de leider van Israels vijand, net als Maria die de vijand van God volk verslaat, zij is het namelijk die de kop van de slang, de Duivel, vermorzeld (Gen. 3: 15, Open. 22).

zaterdag 15 april 2017

§ 45. Van de Biecht kan toch misbruik worden gemaakt?

Zeker, van de biecht kan net zo goed misbruik worden gemaakt als alle andere heilige zaken. De priester zou bijv. het hem toevertrouwde geheim kunnen doorvertellen. Maar zeg me nu eens eerlijk, hoe vaak heeft u daarover een klacht gehoord? En toch zijn er duizenden priesters en worden er jaarlijks miljoenen biechten gesproken.

De zondaar kan zijn zonden verzwijgen, hij kan biechten zonder oprecht berouw, of biechten zonder vast voornemen afstand te doen van de zonde. Maar dan weet hij toch ook, van jongs af aan, dat zo’n Biecht alleen maar de hoeveelheid zonden met een heiligschennis zal vermeerderen? En wat doet het er overigens toe? Mag men bijv. een geneesmiddel afkeuren omdat het ook ten nadele van de gezondheid kan worden gebruikt? En wat kunnen we dan wel niet zeggen over het Bijbellezen, waarvan door honderden misbruik wordt gemaakt, om het Christendom aan te vallen en zelfs de Bijbel van elk goddelijk gezag te ontnemen?

Het is geen wonder dat degenen die altijd wel wat tegen de Biecht in weten te brengen, altijd andersdenkenden zijn of Katholieken die hun godsdienstplichten verwaarlozen, oftewel degenen die er niets van weten door eigen ervaring, of, zoals ook vaak gebeurt, dit Sacrament bestrijden om zichzelf te rechtvaardigen, m.a.w. om zich door valse schaamte van de Biecht te laten terugschrikken en om zichzelf te verontschuldigen, liever een smet werpen op het Sacrament dan op zichzelf.

Zou het, om de waarheid te achterhalen, niet beter en voorzichtiger zijn die Katholieken te raadplegen die vaak gebruik maken van de Biecht en dus uit ervaring kunnen spreken? Welnu, vraag hen eens hoe zij denken over de Biecht. Ik weet zeker dat ze dit Sacrament allemaal zullen prijzen als een van de meest zegenrijke instellingen die Christus aan Zijn Kerk heeft nagelaten. En de ervaring leert dat zij daarin gelijk hebben. Zonder de minste vrees voor tegenspraak mogen we toch zeggen dat over het algemeen, diegenen die het vaakst gebruik maken van de biecht, ook de beste en meest voorbeeldige Katholieken zijn. En dit is niet verwonderlijk. De Biecht eist namelijk als voorbereiding een oprecht berouw, met het vaste voornemen om voortaan de zonde en de gelegenheid tot zonde te vermijden. Dit alleen al zou genoeg moeten zijn om de Biecht als genademiddel hoog te waarderen.

Maar, behalve dat: Wat is meer geschikt om de gevallen en berouwvolle zondaar te bemoedigen en hem met een dankbaar en edelmoedig hart voortaan de weg van de deugd te doen volgen, dan de troostvolle verzekering, dat zijn zonden zijn uitgewist door Hem die tot de bedienaren van de Kerk heeft gezegd: ‘Wiens zonden gij zult vergeven, die zijn ze vergeven.’? Ik zelf ben er als priester zo vaak getuige van geweest, hoe een arme, ver afgedwaalde zondaar in naam van Christus de vergeving van zonden ontving, na in een goede biecht zijn hart oprecht te hebben uitgestort, en hierdoor in tranen uitbarstte van blijdschap en dankbaarheid. Werden zulke boetelingen dan altijd heilig? Nee, want de zwakheid van de mensen is zo groot, dat men, ook na de edelmoedigste voornemens, vaak in vroegere fouten terugvalt. Maar toch, dan kan een zondaar wel nog zo diep gevallen zijn, nog zo ver van de goede weg zijn afgedwaald en zijn zondige gewoontes zo diep verankerd zitten, dan durf ik nog vol te houden, dat hij in een jaar tijd helemaal veranderd is, en zelfs in een braaf en voorbeeldig Christen zal zijn herschapen.

Wie mij hier van overdrijving zou willen beschuldigen, zou eens een keer de moeite moeten nemen om zijn katholieke kennissen te ondervragen of zij, dit wat ik hier zeg, ook overdreven durven noemen, en hij zal er achter komen dat zij het met mij eens zijn. Welnu, wij kunnen beiden uit ervaring spreken.


Als nu (wat ik naar mijn mening nu duidelijk genoeg heb laten zien) de verplichting om zijn zonden te belijden onmiddellijk en noodzakelijk voortkomt uit de macht die Christus zelf aan Zijn Kerk heeft geschonken om de zonden te vergeven of te behouden, (en daarom de Biecht geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling is) en als de Biecht dan ook nog een van de meest invloedrijke en krachtige middelen is om de mens op de weg van de deugd te bewaren en terug te voeren, is het dan niet duidelijk dat het heel erg onverantwoord en noodlottig was de Biecht af te schaffen?

zondag 9 april 2017

§ 44. Heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden moeten biechten?

Christus heeft, zoals wij uit de H. Schrift weten, dan wel niet letterlijk gezegd: ‘Mensen, Ik wil dat gij uw zonden aan de priester belijdt.’, maar toch heeft Christus ons die verplichting opgelegd. Hoe dan? Door aan Zijn Kerk een macht te schenken die zij, wanneer de mensen hun zonden niet biechten, onmogelijk goed kunnen uitoefenen; dit is dus een macht die de verplichting om zijn zonden te belijden, noodzakelijk in zich sluit.

Heeft Christus niet tot Zijn Apostelen gezegd: ‘Ontvangt de H. Geest! Wiens zonden u zult vergeven, die zijn ze vergeven; wiens zonden u houdt, die zijn ze gehouden.’ (Joh. 20, 22-23) Met deze woorden ontvingen de Apostelen en hun wettige opvolgers dus de macht - niet om in alle voorkomende gevallen de zonden te vergeven, ook niet om altijd de zonde te behouden, maar om één van beide te doen: vergeven of behouden, d.i. niet te vergeven. Mogen de Apostelen of hun opvolgers, de priesters, bij het uitoefenen van deze macht blindelings te werk gaan? Zou het Christus’ bedoeling geweest zijn, dat de verheven macht die Hij hier aan Zijn Kerk schonk, door de bedienaren van de Kerk zonder oordeel en naar willekeur zou worden uitgeoefend?

Stelt u zich eens voor, lezer, dat H. M. de Koningin u de macht zou geven om in uw woonplaats iedereen die de wet overtreedt, hun verdiende straf kwijt te schelden of dit juist niet te doen, met de belofte, dat uw beslissing door haar koninklijk gezag zal worden bekrachtigd. Denkt u dan dat u het recht hebt ontvangen om naar willekeur de één alles kwijt te schelden en de ander niet, zonder te weten wat zij fout hadden gedaan en hoe zij nu gestemd waren, zonder de zaak nader te onderzoeken? Denkt u echt dat een verstandig vorst het zal maken, om zo’n lichtvaardig vonnis met zijn oppergezag te bekrachtigen? Dat zou pas dwaas zijn. Het spreekt namelijk voor zich, dat u bij de uitoefening van die macht, ook al heeft de vorstin dit niet uitdrukkelijk bevolen, rechtvaardig en met onderscheid te werk moet gaan, en dat u daarom voordat u een beslissing neemt, eerst op de hoogte moet zijn van wat de verschillende personen misdreven hebben, en of zij bereid zijn de wetten voortaan beter te onderhouden of niet?

Welnu, Christus gaf aan Zijn Apostelen de macht, om in Zijn naam en op Zijn gezag de zonden te vergeven of te behouden, met de belofte dat hun beslissing in de hemel zou worden bekrachtigd. Alleen al de verhevenheid van deze macht eist dat zij door de bedienaren van de Kerk moet worden uitgeoefend met de nodige voorzichtigheid, oordeel en onderscheid en dus niet blindelings en naar willekeur. Maar hoe kan de priester, de bedienaar van de Kerk, bij het uitoefenen van deze macht, met beleid te werk gaan als hij niet eens weet wat hij wel en wat hij niet moet vergeven?

Om dit nog duidelijker te maken, geven we een voorbeeld. Honderd gelovigen komen bij een priester om, volgens de macht die Christus aan Zijn Kerk gegeven heeft, vergeving van zonden te ontvangen. Allen zeggen ze eenparig: ‘wij hebben gezondigd en hebben daarover berouw’; maar zonder dat iemand zegt wat hij verkeerd heeft gedaan. Wat moet een priester in zo’n geval doen? Zonder verder te onderzoeken, aan iedereen vergeving schenken? Of die kortweg aan iedereen weigeren? of de ene helft vergeven en de ander niet? Zou dat een waardig gebruik zijn van de macht die Christus aan Zijn Kerk heeft geschonken? Is het denkbaar dat God zo’n ondoordachte uitspraak in de hemel zou bekrachtigen? Nee, de priester moet de zonden vergeven of behouden, maar hij moet wel weten waarom, hij moet voor zichzelf en voor God verantwoording kunnen afleggen van zijn beslissing; hij moet daarom daarbij met het nodige onderscheid, verstand en oordeel handelen. Het is duidelijk dat hij dit niet kan als hij niet weet wat de zondaar misdaan heeft, en dus niet weet wat er vergeven moet worden. Kortom, de priester moet oordelen, hij is de door Christus aangestelde rechter, en moet daarom, net als elke andere rechter, beginnen met de zaak waarover hij een uitspraak moet doen, te onderzoeken.

Het biechten of de verplichting om zijn zonden aan de priester te belijden is dus niet een kerkelijke, maar een goddelijke instelling, omdat die verplichting onmiddellijk voortvloeit uit de macht, (die Christus zelf aan Zijn Kerk geschonken heeft) om zonden te vergeven of te behouden. Het Protestantisme heeft het biechten uit de rij met verplichtingen geschrapt. Dat is makkelijk, maar, lezer, is dit heilzaam?