zondag 4 december 2016

§27. Waarom moet de ware Kerk van Christus Katholiek of algemeen zijn?

DERDE HOOFDSTUK – De ware Kerk van Christus moet KATHOLIEK of algemeen zijn.

§27. Waarom moet de ware Kerk van Christus Katholiek of algemeen zijn? Kan men zeggen, dat andere kerkgenootschappen deze eigenschap bezitten?

Het woord “Katholiek”, wat afkomstig is uit het Grieks, betekent “algemeen” of “overal, over de hele wereld verspreid.” Waaruit blijkt nu, dat de ware Kerk van Christus noodzakelijk, d.w.z. uit haar aard, katholiek moet zijn?

Dit blijkt duidelijk uit het doel, waarvoor Christus zijn Kerk heeft gesticht. Hij heeft zijn Kerk alleen gesticht om de mensen de weg naar de hemel te wijzen en hen zalig te maken, en “Hij wil, dat alle mensen zalig worden en tot de kennis van de waarheid komen.” (I Tim. 2, 14). Vandaar dat Hij zijn Kerk belastte, om zijn heilige leer over heel de wereld te verkondigen. “Gaat over de hele wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen.” (Marc. 16,15). “Gaat en onderwijst alle volken, hen dopend in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, hen leren te onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb.” (Math. 28, 19)

Hieruit volgt dus, dat Christus geen nationale Kerk heeft gesticht, geen Kerk voor een bepaald land; geen Kerk, die haar werkgebied binnen de grenzen van een land of een werelddeel zou beperken, maar een Kerk, die zich over de hele wereld, onder alle landen, zou verspreiden, en dus een algemeen verspreide of katholieke Kerk zou zijn.

Laten we nu eens enkele kerken of godsdiensten aan dit kenteken toetsen, om te zien of zij terecht als de ware, door Christus gestichte kerk kunnen worden gezien.

Omdat wij hier alleen op zoek zijn naar de ware Kerk van Christus, kunnen het Jodendom, Heidendom en de Islam buiten beschouwing blijven. Het is zeker dat deze godsdiensten, al zijn zij nog zo verspreid, de ware Kerk niet zijn, omdat de ware Kerk de Kerk van Christus is. Dit zijn zij zeker niet en geven dit zelf ook toe. Zij komen hier dus niet voor in aanmerking.

Ook de Jansenisten of Oud-Roomsen kunnen zonder bezwaar buiten beschouwing blijven. Deze godsdienst heeft namelijk alleen hier en daar een handvol belijders, en is verder in de wereld nauwelijks met naam bekend.

De Anglicaanse Kerk, in de loop der 16e eeuw door de gewetenloze en wellustige koning van Engeland, Hendrik VIII, gesticht, heeft werkelijk miljoenen volgelingen. Is zij daarom katholiek of algemeen? Nee, absoluut niet. Die godsdienst heeft namelijk, zoals zijn naam al zegt, een nationaal karakter, en is alleen noemenswaardig vertegenwoordigt in Engeland, in de Engelse koloniën en op de plekken in het buitenland waar men Engelsen aantreft. Bovendien is hij zelf weer in verschillende afdelingen gesplitst, die vijandig tegenover elkaar staan.

Zo is het ook met de Schismatieke Russische Kerk. Deze godsdienst vind men alleen in Rusland en in sommige aangrenzende of onderhorige landen, maar daarbuiten is van deze hele scheuring niets te vinden.

Wat kunnen we nu zeggen van het overige Protestantisme? Het aantal van hen, die zich stellig Protestant noemt, bedraagt volgens de nieuwste gegevens, meer dan 350 miljoen . Men moet dus toegeven dat dit aardig wat is. Maar mag men daarom die godsdienst katholiek of algemeen noemen?

Nee, en waarom niet? Omdat deze miljoenen mensen zich wel Protestant noemen, maar absoluut niet hetzelfde geloof aanhangen, niet dezelfde leer belijden. De ene volgt de leer van Luther, een ander die van Calvijn, een derde die van Zwingli, een vierde is Remonstrant, een vijfde is Doopsgezind, een zesde weer iets anders, en zo vindt men onder hen bijna net zoveel sekten en verschillende geloofsleerlingen als er hoofden zijn. Als men dus onder de algemene naam Protestanten al die personen telt, die na gedoopt te zijn, ieder voor zich geloven, wat zij kiezen, dan hebben we snel een groot aantal bij elkaar; maar dan moet men niet beweren, dat al die personen samen één algemene of katholieke Kerk vormen. Omdat onder hen, de één verwerpt, wat de ander als geloofspunt aanneemt, kunnen zij onmogelijk één en hetzelfde zedelijk lichaam,  één en dezelfde godsdienstige maatschappij, één en dezelfde Kerk vormen. Zij zijn niets anders dan een grote groep van zeer uiteenlopende en met elkaar strijdige sekten, de één hier talrijker, de ander daar, met bijna alleen dezelfde eigenschap, dat zij het gezag van de Katholieke Kerk ontkennen; hiermee komen zij overeen met de Joden en heidenen. (zie hierover § 14 en 15)

Hoe is het wat deze algemeenheid betreft met de Katholieke Kerk?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

Uitnodiging Mars voor het Leven


maandag 7 november 2016

§26. Maar moeten de Heiligen van de eerste eeuwen eigenlijk niet gezien worden als Protestanten?

Lezer, deze vraagt vind u misschien dwaas, mij in ieder geval wel. Ik stel hem ook alleen omdat mij hierover wel eens dit verwijt werd gemaakt:

“Het Protestantisme”, zei een Protestant tegen mij, “moet men niet dateren van de tijd van Luther en Calvijn. Nee, als godsdienst heeft het vanaf Christus bestaan, want het Protestantisme is niets anders dan het zuivere Evangelie, vrij van alle uiterlijkheden en bijgelovigheden, waarmee de Roomse Kerk het in de loop der eeuwen heeft misvormd. Toen werden de belijders van Christus' leer nog geen Protestanten genoemd, omdat zij zich nog niet van de Katholieke Kerk hadden afgescheiden; maar al wat er heilig was in de Kerk, was toen al in de grond van de zaak Protestant.
Dus, zo besloot hij, kunnen de Heiligen van vroegere eeuwen, die de Katholieke Kerk tot de haren rekent, evengoed, ja met meer recht, als Heiligen van het Protestantisme worden gezien.”

Ik stond verstomd en kon mijn oren bijna niet geloven. Ik vroeg deze man daarom kalm en droogjes of de protestantse godsdienst ooit geleerd heeft dat er een vagevuur bestaat, dat de priester de macht heeft om in naam van Christus zonden te vergeven, dat de ware Kerk van Christus onder de gehoorzaamheid moet staan van een zichtbaar Opperhoofd, en dat dat zichtbaar Opperhoofd niemand anders is dan de Paus van Rome, de wettige opvolger van Petrus?

“O, nee!” was het antwoord, “Nu dan”, ging ik verder, “al die Heiligen hebben dat allemaal zonder twijfel geloofd en openbaar beleden; veel van hen hebben voor deze leer, hun bloed vergoten, en nu zou de protestantse kerk zich op die Heiligen mogen beroemen, alsof het haar kinderen waren! Dat is wel heel sterk. En ik twijfel zeer, of die heilige martelaars en belijders zich met zo'n eer gevleid voelen. Maar”, ging ik verder, “u zei net, dat, vóór de tijd van Luther, de volgelingen van de Protestantse godsdienst zich nog niet openlijk van de Katholieke Kerk hadden afgescheiden, en daarom nog niet met de naam Protestanten werden bestempeld. In die tijd waren, volgens u, Katholieken en Protestanten dus als kaf en koren gemengd. Pas met de Hervorming van Luther werd het koren voorgoed van het kaf gescheiden, en het is dus logisch, dat het zich van die tijd af makkelijker kon en moest ontwikkelen. En wat zien we nu? Sinds de tijd van Luther zijn er meer dan 400 personen geweest, van wie hun heiligheid na hun dood door onweerlegbare wonderen werd bevestigd, maar onder hen was geen enkele Protestant. Allen waren met hart en ziel kinderen van de Katholieke Kerk. Als men dus de Katholieken als het kaf en de Protestanten als het koren moet zien, dan staan we hier voor het onverklaarbare feit, dat het kaf de beste vruchten heeft opgeleverd, terwijl het koren dor en onvruchtbaar bleef.”

Maar hierover genoeg. Niet alle katholieken zijn heilig; dat scheelt een hoop. Maar toch bezit de Katholieke Kerk in haar leer, voorschriften en instellingen alles, wat gevraagd of verlangd kan worden, om degene, die zich trouw door haar laten leiden, te brengen tot een hoge trap van deugd en volmaaktheid. De geschiedenis van 19 eeuwen laat zien, dat zij inderdaad duizenden van haar kinderen tot ware Heiligen heeft gevormd. Daarom zal men moeten toegeven, dat zij ook die eigenschap bezit, die de ware Kerk van Christus moet bezitten: dat zij een heilige Kerk is.


§ 25. Hoe kan de Katholieke Kerk weten dat iemand heilig is? m.a.w. Hoe kan zij weten, of iemand na zijn dood door God onder het getal van de Heiligen in de hemel is opgenomen?

Laat mij dit eens eenvoudig proberen de verduidelijken. De Katholieke Kerk, de Paus en de bisschoppen kunnen, net zoals u en ik, geen kijkje nemen in de hemel. Maar stellen we eens voor, dat ergens bijv. een priester sterft, die door een buitengewoon voorbeeldig leven heeft uitgemunt. Als de gelovigen die overleden priester gelijk als een Heilige aanroepen of vereren, door bijv. zijn afbeelding in de kerk te plaatsen, dan zou zo iets door de kerkelijke overheden onmiddellijk streng verboden worden. Want dat is in strijd met de kerkelijke voorschriften. Maar dit neemt niet weg, dat  iemand voor zichzelf zeker kan zijn, dat die voorbeeldige priester werkelijk als een Heilige is gestorven. Stellen we nu ook eens voor dat een blinde, of als u wilt, een blindgeborene, die overleden priester van dichtbij heeft gekend, en vaak van zijn bewonderenswaardige deugd gehoord heeft. Met het volste vertrouwen dat deze priester in de hemel is, en als bijzondere vriend van God door zijn gebed veel zal kunnen krijgen, roept hij zijn voorspraak in, om door het gebed van de priester genezing van zijn blindheid te ontvangen. En werkelijk, hij ontvangt waar hij om vraagt: tot grote verbazing van al zijn vrienden en kennissen, van artsen en professoren, ontvangt hij plotseling zijn gezicht terug, en ziet nu net zo goed als alle anderen. Natuurlijk, dat feit wekt veel opspraak, iedereen wil de plotseling genezene zien en spreken, de hele plaats is er vol van.

Door dit wonderlijke voorval aangemoedigd, komt ook een andere zieke in de verleiding om voor hem hetzelfde te proberen. Iemand die lijdt aan tuberculose bijv. en al in de laatste fase van zijn ziekte is, en volgens de artsen nog enkele dagen te leven heeft, vraagt ook van de overleden priester om gebed in de hemel voor zijn genezing, en kijk, ook deze zieke voelt zich plotseling weer helemaal beter.

Hierna volgen nog verschillende andere, ook plotselinge en zekere genezingen van zieken, die tot dezelfde priester hun toevlucht hebben genomen.

Wat doet de Katholieke Kerk nu, als dergelijke feiten zich voordoen? Zij laat van haar kant die feiten door de geschiktste en geloofwaardigste personen onderzoeken. Hoe nauwgezet en streng de Kerk daarbij te werk gaat, zullen we later nog behandelen. Blijkt uit dit onderzoek, dat die verschillende genezingen enigszins twijfelachtig zijn of alleen een natuurlijke oorzaak hebben, bijv.  de kracht van de verbeelding, overprikkelde zenuwen enz., dan verbiedt de Kerk, dat de overleden priester, door de gelovigen als een Heilige wordt vereerd, eenvoudig, omdat voor zijn heiligheid niet genoeg bewijs aanwezig is. Maar ook van de andere kant, als het na zo'n grondig onderzoek duidelijk is, dat die wonderlijke feiten aan niets anders dan aan de onmiddellijke inwerking van God kunnen worden toegeschreven, m.a.w. is het zeker, dat men hier met echte, door God zelf verrichte wonderen te doen heeft, dan redeneert de Katholieke Kerk op de volgende manier:

Door de wonderen, die God verricht heeft aan hen, die de voorspraak van de overleden priester hebben ingeroepen, worden de gelovigen noodzakelijkerwijs in de mening gebracht of versterkt, dat die priester werkelijk in de hemel is en door zijn voorspraak deze wonderen van God heeft verkregen. Maar God kan, omdat Hij oneindig wijs en goed is, onmogelijk wonderen doen, waardoor de gelovigen noodzakelijkerwijs in een verkeerde mening zullen worden gebracht of versterkt. Dus moet die mening, waarin God de gelovigen gebracht of versterkt heeft, met de waarheid overeenkomen, en moet die overleden priester dus in de hemel zijn.

Die redenering is eenvoudig, maar genoeg. U ziet dus dat de Kerk, al blijft, zolang zij op aarde strijdt, de hemel gesloten, toch in sommige gevallen zeker kan zijn, dat één van haar overleden kinderen tot het getal van Gods Heiligen hoort.

Laat mij hier, alhoewel het niet nodig is, toevoegen, dat de Katholieke kerk altijd eerst onderzoek doet naar de deugden, of zo iemand namelijk de christelijke deugd heldhaftig heeft beoefend voordat zij de wonderen onderzoekt, die op iemands voorspraak verricht zijn. En wanneer het om een martelaar gaat, of hij inderdaad zijn bloed vergoten heeft om wille van het geloof of een andere christelijke deugd. Wordt zo'n heldendeugd bovendien ook nog door God met wonderen bevestigd, dan neemt de Katholieke Kerk met alle veiligheid aan, dat die gestorvene onder Gods Heiligen is opgenomen, en op deze manier heeft zij de zekerheid, dat duizenden van haar overleden kinderen bij de menigte van Heiligen zijn.

Waar zijn de Heiligen, die het Protestantisme heeft voortgebracht? Dat er onder de Protestanten altijd personen geweest zijn en nog zijn, op wiens zedelijk gedrag misschien weinig valt aan te merken, hebben wij al eerder toegegeven. Ook zullen er verschillende, die onbewust in dwaling, deugdzaam geleefd hebben en gestorven zijn, de hemel binnengaan. Maar het is zeker, dat in het Protestantisme, zolang het bestaat, nog nooit iemand is gestorven, die door een wonder zijn heiligheid heeft kunnen aantonen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 29 oktober 2016

§24. Is de Katholieke Kerk heilig in die zin, dat degenen die haar leer en leiding volgen, daardoor tot de ware volmaaktheid en heiligheid komen?

Eerst merken wij op, dat er in de Katholieke Kerk veel mensen zijn geweest, nog steeds zijn en helaas altijd zullen zijn, die absoluut niet heilig leven, maar zich aan veel en grote zonden schuldig maken.

Maar de vraag is of zij dat doen omdat zij Katholiek zijn? Of zij zondigen door de leer van de Kerk te volgen, of door deze juist niet te volgen? Want dat iemand niet heilig wordt, die niet leeft zoals de Kerk dat wil, kan absoluut niet tegen de heiligheid van de Kerk getuigen; maar het getuigt integendeel het sterkst voor de heiligheid van de Katholieke Kerk, als iemand die naar haar leer, wetten en instellingen leeft, daardoor inderdaad heilig wordt. Of bewijst het iets tegen de heiligheid van Christus of Zijn leer, dat Judas een verrader werd en verloren ging? Absoluut niet, omdat Judas goddeloos werd, door niet naar Christus, maar naar zijn eigen bedorven hart en geldlust te luisteren; niet door Christus te volgen, maar door Christus niet te volgen, viel hij in de afgrond van de zonde. Wij beweren dus en willen bewijzen, dat door de leer, wetten en instellingen, kortom door de hele leiding van de Kerk, elke Katholiek het sterkst tot heiligheid wordt aangespoord, en, alleen wanneer hij die leiding volgt, tot ware heiligheid zal komen.

De twee grootste obstakels op de weg van de deugd zijn, zoals wij weten, de hoogmoed van de geest en de wellust van het lichaam. Daar tegenover staan de nederigheid en de versterving. Vandaar het woord van de goddelijke Heiland: ‘Als u niet wordt als de kleine kinderen, zult u het rijk der hemelen niet binnengaan.’ En: ‘Die na Mij komen wil, verloochent zichzelf, neemt zijn kruis op en volgt Mij.’ (Matth. 18, 3 en 16, 24).

Na het geloof zijn de nederigheid en de zelfverloochening of versterving de twee steunpilaren waarop het gebouw van onze deugd hoort te rusten.

Zonder nederigheid is er namelijk geen ware gehoorzaamheid, geen kinderlijke onderwerping aan het wettige gezag, geen geduld, geen ware naastenliefde, geen vrede; en zonder versterving is het onmogelijk onze zinnelijke en gemakzuchtige natuur binnen de perken te houden van het geoorloofde, maar valt men in de grofste zonden en buitensporigheden.

Op welke manier werkt de Katholieke Kerk de beoefening van deze twee deugden dan in de hand?

De nederigheid. – Terwijl het Protestantisme de ijdelheid van de mensen en het verlangen naar onafhankelijkheid streelt door het vrije onderzoek hoog op te stellen, eist de Katholieke Kerk in geloofszaken volledige onderwerping aan haar wettig leergezag. De vraag, wat God geopenbaard heeft, en hoe die geopenbaarde waarheden moeten worden verstaan en uitgelegd, oftewel wat men op het gezag van God wel of niet moet geloven, laat de Katholieke Kerk niet over aan het vrije onderzoek, aan het welbevinden van de eerste de beste. Nee, zij wil dat haar kinderen op godsdienstig gebied in onderwerping aannemen en geloven, wat zij hen door haar goddelijk gezag te geloven voorhoudt.

Het is waar dat de onderwerping die de Katholieke Kerk in geloofszaken eist, redelijk, zelfs hoogst redelijk is. Een Katholiek begrijpt helemaal dat hij verstandig handelt, wanneer hij in alles wat het geloof betreft zich laat leiden door de Kerk, en zijn eigen inzicht en oordeel onderwerpt aan het oordeel van Haar aan wie Christus de verkondiging van Zijn leer heeft toevertrouwd en tot wie Hij gezegd heeft: ‘Ik zal de Vader vragen, en Hij zal u een andere Trooster geven, de Geest van de waarheid, zodat Hij met u blijft in eeuwigheid. Als die Geest van de waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u in alle waarheid onderwijzen,’ ( Joh. 14, 16-17; 16, 13) ‘En zie, Ik ben met u alle dagen tot het einde van de eeuwen.’ (Matth. 28, 20) ‘Wie u hoort, hoort Mij, wie u verwerpt, verwerpt Mij’. (Luc. 10, 16) Maar hoe redelijk die onderwerping ook is, toch wordt daarvoor echte nederigheid vereist. De mens heeft zijn verstand namelijk zo hoog staan, hecht zoveel waarde aan zijn eigen mening en oordeelt zo graag helemaal onafhankelijk dat hij daarom zijn eigenliefde altijd min of meer geweld moet aandoen om zijn eigen opvatting of oordeel te laten varen en te onderwerpen aan het oordeel van anderen.

Maar juist daarom is ook de kinderlijke onderwerping die de Katholiek aan het leergezag van de Kerk is verschuldigd, veel geschikter om de geest van nederigheid te bevorderen dan het vrije onderzoek, dat door het Protestantisme werd ingevoerd, waardoor de eigenliefde wordt gevoed en gevleid, en waardoor aan iedereen op godsdienstig gebied een recht wordt verleend, dat echt niet aan iedereen kan gegeven worden.

Wat doet de Katholieke Kerk verder om haar kinderen te oefenen in de zo noodzakelijke deugd van zelfverloochening of versterving?

Zij leert hen niet alleen hun driften te beheersen daar waar het toegeven aan die driften in strijd zou zijn met Gods heilige wetten; maar zij leert hen de neigingen van de zinnelijke natuur te bedwingen, zelfs daar waar geen sprake is van zonde. Zoals het gebruik van bepaald voedsel op zichzelf geen zonde is, schrijft de Katholieke Kerk toch verschillende vasten- en onthoudingsdagen voor. Waarom? O.a. om haar kinderen te leren zich te versterven, te bedwingen en hun zinnelijkheid te beheersen en daardoor makkelijker meester te blijven over hun natuurlijke opwellingen, die, als zij ook in het geoorloofde niet in toom worden gehouden, zo snel de overhand krijgen op de zwakke wil van de mensen en hem brengt naar wat verboden is.

Ja, de Katholieke Kerk is zelfs niet tevreden alleen de geboden van haar goddelijke Meester te handhaven en in alle ernst op het hart te drukken; zij moedigt haar kinderen aan zich een hogere volmaaktheid op te leggen door de beoefening van de Evangelische raden: de vrijwillige armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid, of onthouding, die Christus niet als verplichtend heeft voorgeschreven, maar wel heel erg geprezen en aanbevolen heeft. Waar bloeien en ruiken die bloemen van verheven deugd zo heerlijk als in de Katholieke Kerk? Zij, en zij alleen mag namelijk met trots wijzen op duizenden en duizenden kloosterlingen, die zich vrijwillig verplichtten die Evangelische raden na te leven, en wiens heldhaftige deugd en opofferend leven zelfs de ongelovige wereld tot haar spijt moet bewonderen.

De Katholieke Kerk heeft met de meeste zorg de H.H. Sacramenten bewaard, die haar door de goddelijke Stichter werden geschonken.

Zeker, die H.H. Sacramenten kunnen worden misbruikt, zonder voldoende voorbereiding en onwaardig worden ontvangen; maar niet naar het misbruik, maar naar het goed gebruik moet de waarde, de geschiktheid van een middel worden berekend. Welnu, iedere Katholiek – en hij kan het uit ervaring weten – zal moeten toegeven dat alleen de H. Communie en de Biecht, wanneer zij waardig en veelvuldig (zoals de Kerk verlangt) worden ontvangen, uiteraard al genoeg zijn om een brave Christen in de grootste moeilijkheden en gevaren op de weg van de deugd staande te houden, en de meest verstokte zondaar in een korte tijd in een voorbeeldig Christen te doen veranderen.

Voeg daarbij het bijwonen van de het H. Misoffer, waartoe alle Katholieken op Zon- en Feestdagen in geweten verplicht zijn en waarvoor ze elke dag gelegenheid hebben.

Ook zijn de indrukwekkende schitteringen waarmee in de Katholieke Kerk de H.H. Sacramenten worden toegediend en de openbare godsdienstoefeningen verricht, bijzonder geschikt om de harten van de gelovigen hoger op te voeren, te onthechten aan het aardse, met een diepe eerbied te bezielen voor het hemelse en bovennatuurlijke en hen aan God en godsdienst vuriger te binden.

Wat doet de Katholieke Kerk om haar Kinderen te wapenen tegen de gevaren, waaraan zij in de wereld zijn blootgesteld? Overal waar dit kan, richt zij verenigingen, broederschappen en congregaties op voor mannen en vrouwen, jongens en meisjes, voor elke leeftijd, voor iedere rang of stand. De leden van die verenigingen, – en ik wijs hier alleen maar op de St. Jozefs Gezellen-vereniging, de wijd verspreidde aartsbroederschap van de H. Familie en de talloze congregaties van de H. Maagd – verenigen zich om zelf naar ware, hechte deugd en godsvrucht te streven, door onderlinge samenwerking het voortwoekerende zedenbederf tegen te werken, en door hun stichtend woord en voorbeeld de oefening van de deugd te bevorderen.

Wat doet de Katholieke Kerk niet voor het onderwijs, voor de opvoeding van de jeugd, voor de verzorging van de wezen, van verlaten kinderen, van hulpbehoevende bejaarden, voor de verpleging van armen en zieken? Lezer, kijk eens om u heen[1]. Bijna overal vindt u, om maar iets te noemen, de zo heerlijk werkende vereniging van de H. Vincentius a Paulo. Geen stad of dorp van enige betekenis, of u vindt er scholen, een opvangplaats voor wezen, noodlijdenden en ongelukkigen. U vindt er een één of andere liefdadigheids-instelling door de Katholieken tot stand gebracht. Bedenk wel dat in ons land de Katholieken, zowel in aantallen als wat financiële middelen betreft, ver in de minderheid zijn en u zult erkennen dat de Katholieke Kerk met recht mag roemen op haar christelijke liefdadigheid.

Desondanks erken ik ronduit en graag dat, vooral in onze grotere steden, ook de andersdenkenden zulke inrichtingen van liefdadigheid bezitten. Maar staan zij op één lijn met die van de Katholieke Kerk? Ik geloof dat er genoeg grond is om dit te mogen ontkennen. Wie zijn het toch die u in onze katholieke scholen, ziekenhuizen, weeshuizen of andere inrichtingen van liefdadigheid aan het werk ziet? Bijna overal zijn het religieuzen, d.w.z. katholieke mannen of vrouwen van elke rang en stand, die hun ouders, bloedverwanten, genot van het huiselijk gezinsleven, bezittingen en alles waarvan zij in de wereld konden genieten, dapper vaarwel hebben gezegd, om zich in totale overgave te wijden aan de dienst van God en het welzijn van hun medemens. En dit niet voor een kortere of langere tijd, totdat ze weer zin hebben om naar de wereld terug te keren; nee, door de drievoudige gelofte van gehoorzaamheid, armoede en onthouding, hebben zij zichzelf opgeofferd, zonder een beloning in het zicht te hebben, behalve die, die hen hierboven wacht. Ze hebben zich helemaal vrijwillig in geweten willen binden en verplichten om hun hele leven dienstbaar te zijn voor hun lijdende medemens.

Waar vindt men zo’n belangeloze en opofferende liefde? Is dat niet een ware heldhaftigheid? Een heldhaftigheid die buiten de Katholieke Kerk niet word gevonden, een heldhaftigheid die door ongelovigen en andersdenkenden zo vaak openlijk wordt erkend, bewonderd, van verre nagebootst, maar nooit geëvenaard?

Wat doet de Katholieke Kerk niet voor de geestelijke vorming en opleiding van haar toekomstige bedienaren of priesters? Zij weerhoudt hen al op jonge leeftijd aan de gevaren van de wereld. Gedurende tien tot twaalf jaar verblijven zij binnen de muren van haar bisschoppelijke seminaries, onder leiding van bekwame en deugdzame priesters. Daar ontvangen zij niet alleen de nodige kennis en wetenschap, maar wordt ook hun karakter gevormd en worden zij gewapend tegen de moeilijkheden die hen wachten tijdens het priesterschap; ook wordt in deze jaren hun deugd voortdurend beproefd, gelouterd en gesterkt. En waarom dit alles? Zodat zij later als bedienaren van de Kerk des te geschikter zouden zijn, om door woord en voorbeeld de oefening van de deugd ook in de harten van hun medemens te bevorderen.

En later, wanneer zij als priesters werken, dan nog drukt de Kerk hen op het hart, zich vaak, indien mogelijk elk jaar, zich een tijdje terug te trekken uit de dagelijkse beslommeringen, om in stille afzondering hun onverdeelde zorg te wijden aan de belangen van hun eigen ziel, zich oprecht voor God af te vragen of zij de belofte nakomen van de heilige bediening, die op hun schouders rust.

Vertel mij eens: waar is een kerk of sekte, die aan de geestelijke vorming van haar dienaren zoveel zorg en moeite besteed? Is de opleiding die de Katholieke Kerk aan haar toekomstige priesters geeft niet geschikter om hun harten tot voorbeeldige deugd en godsdienst te vormen, dan de opleiding die de bedienaren van andere gezindten aan de hogescholen ontvangen, te midden van een, helaas, maar al te lichtzinnige omgeving?

Maar tenslotte, - aan de vruchten kent men de boom – heeft de Katholieke Kerk onder diegenen die haar leer en voorschriften trouw hebben gevolgd ook echt Heiligen voortgebracht? Zeker, en oneindig veel. Maar laten we eerst de volgende vraag beantwoorden.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen



[1] Helaas is het hierna geschetste beeld vandaag aan de dag in het Westen niet meer zo positief en rooskleurig. Op wereldschaal en in vele eeuwen kerkgeschiedenis geldt het grotendeels nog wel.

§23. Heeft Luther door een heilige levenswandel getoond, dat hij door God was uitverkoren om de ware heiligheid weer in de Kerk weer te laten opbloeien?

Ik weet dat verschillende schrijvers Luther als een heilige, of tenminste als een voorbeeld van deugd hebben voorgesteld. Of zij dat oprecht meenden, laat ik achterwege. In ieder geval, na alles wat in de laatste jaren over Luthers leven aan het licht is gebracht, en zelfs aan de hand van wat men in zijn eigen werken leest, kan ik moeilijk aannemen dat iemand die maar een beetje ontwikkeld is, Luthers ‘heiligheid’ hoog heeft staan.

Lezer, misschien bent u zelf Protestant, en dan zou het u waarschijnlijk tegen de borst stuiten als ik hier alles zou vermelden wat de geloofwaardigste geschiedschrijvers van Luthers leven hebben vermeld. Ik zal dat dus achterwege laten en u liever een paar uitdrukkingen van Luther zelf aanhalen, waaruit u dan makkelijk zelf kunt opmaken of iemand die zo schrijft en spreekt, bezield is van ware heiligheid.

Hier enkele voorbeelden:

‘Dit zal’ zegt Luther dus, ‘mijn eer en mijn roem zijn, dit wil ik, dat men later van mij zal zeggen, hoe ik vervuld ben van scheldwoorden en vervloekingen tegen de papisten. Ik wil hen met mijn donder en bliksem ten grave luiden. Als ik zeg: geheiligd is Uw naam, dan moet ik daaraan toevoegen: Vervloekt, verdoemd en verguist moet worden de naam der papisten. Werkelijk bid ik zo dagelijks met de mond en voortdurend met het hart.’

Zijn tegenstanders geeft Luther de eretitel van ‘wolven’, ‘bloedhonden’, ‘duivels’ en ‘bloeddorstige tirannen.’ Muntzer, Carlstad, Campanus en andere sektehoofden, die, net zoals hij zelf, zich op de Bijbel of het zuivere woord van God beriepen en dat zuivere woord van God op eigen gezag verklaarden, maar het ongeluk hadden, het bij die verklaring niet met Luther eens te zijn, worden door hem gewoon ‘vleesgeworden duivels’ genoemd. Cochlaeus noemt hij ‘een zwijn’ . Ook de keizer en andere vorsten worden door Luther ‘waanzinnige, razende gekken’ genoemd. Maar bij de Paus, bisschoppen, priesters en monniken ging hij het verst. ‘De monniken,’ zo lezen wij in zijn tafelgesprekken, ‘zijn een lui volk, dienaars van hun buik en varkens.’ ‘De roomse bisschoppen moeten een eed doen dat ze de duivel dienen, en deze neemt gelijk bezit van hen. . De kardinalen begroet hij met ‘rottengespuis’; de Paus noemt hij ‘rottenkoning, pausezel, duivelskop en de helse vader van Rome.’

Op 18 augustus 1520 schreef hij: ‘Wij zijn overtuigd, dat het pausdom de zetel is van de ware Antichrist in levende lijve, en wij geloven dat om het heil van de zielen alles tegen zijn valsheid en bedorvenheid geoorloofd is.

‘Om het pauselijk bestuur te durven aannemen’, lezen wij  ‘moet men een schurk en een boosdoener zijn, ja de ergste boosdoener na de duivel’.

Luther zag de Paus zelf als een ‘vermomde, een echte duivel’.  en meende dat er geen scheldwoord hatelijk genoeg is om de Paus mee aan te spreken zoals hij verdient. ‘Al noemt men hem te gelijk gierig en goddeloos en afgodisch, dan is dat allemaal nog veel te weinig; zijn grote schurkenstreken kan men niet begrijpen of uitspreken.’

In 1545 gaf Luther een boek uit met de titel ‘Tegen het pausdom te Rome, door de duivel gesticht.’ In dat boek herhaalt hij de raad ‘om heel het slechte volk van het Roomse Sodom aan te grijpen, en de handen te wassen in hun bloed.’ Ergens anders zegt hij: ‘Men moet de Paus zelf en de kardinalen, en iedereen die aan zijn afgoderij en papistische heiligheid hebben meegewerkt, grijpen en als godslasteraars de tong om hun nek trekken en hen op een rij aan de galg hangen.’

Nu wil ik nog niet vragen of Luther zulke beschuldigingen waar kon maken, ik vraag alleen: Zijn zulke heftige verwijten en grove scheldwoorden de taal van een heilige?

Luther gaf zich uit voor een waar afgezant van God; maar we weten dat ‘God wil niet de dood van de goddelozen, maar dat hij zich bekeert en leeft’ (Ezech. 33, 11). Vandaar dat de Katholieke Kerk niet ophoudt te bidden voor de bekering, zelfs, van de grootste en hardnekkigste zondaars, en dat zij het een gruwel noemt, wanneer wij het eeuwig ongeluk van welke zondaar ook verlangen of van God vragen.

Hoe dacht Luther hierover? Hoor hoe hij te velde trekt tegen de hertog Georges van Saksen: ‘Dr. Martinus Luther verklaart heel stellig dat hertog Georges niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk door de duivel is bezeten, en dat hij niet tot zijn zalig einde, maar tot zijn dichterbij komend verderf, zo dol en razend is, dat het niet is te hopen dat hij zich bekeert en boete doet. Daarom moet men niet voor hem, maar tegen hem bidden, zodat God eindelijk die landplaag uit de wereld wegneemt en hem neerstort in afgrond van de hel.’

Tegen gewetenswroegingen geeft Luther de volgende raad: ‘Iedereen, die zulke duivelse gedachten, bijv. aan een mooi meisje, door geldzucht of dronkenschap verdrijven kan, raad ik dat aan.’ Een stichtende raadgeving, vindt u niet? Vooral als het komt van iemand die zich voordoet als apostel en zedenprediker, en bekent, zelf dat middel te gebruiken.

Hoe erg Luther neerzag op de schone deugd van zuiverheid, die wij de deugd van de engelen noemen; met hoeveel minachting hij sprak en schreef over de heiligheid en onverbreekbaarheid van het huwelijk, zal blijken uit een preek die hij in Wittenberg heeft gehouden en ook heeft uitgegeven. Deze preek is opgenomen in Janssen’s ‘Geschichte des Deutschen Volkes. An meine kritiker’, blz. 199. Wie dat wil kan ze dus lezen. Ik zelf geloof dat ik de taal en de grondstellingen die daarin openlijk worden verkondigd, niet bij de lezer onder ogen mag brengen, en ik geloof ook, lezer, dat u net zo goed als ik, daar ook geen behoefte meer aan hebt.

Ik denk er zeker aan, dat in die dagen de spreek- en schrijfstijl niet zo netjes was als nu. Dat Luther dus in zijn geschriften en gesprekken zich hier en daar woorden en uitdrukkingen veroorloofde, die wij tegenwoordig plat zouden noemen, mag niet te zwaar wegen. Ook geef ik graag toe, dat zelfs de braafste zijn gebreken en zwakheden kan hebben en daarom, vooral als hij een vurig karakter heeft, in een verontwaardiging of onbedacht ogenblik zeker iets zou doen of zeggen, wat de grenzen van een gepaste matigheid te buiten gaat. Maar, hoe toegeeflijk ik ook zou zijn, ik zie met de beste wil geen mogelijkheid om in de taal van Luther de taal van een heilige te erkennen. Nee, nog eens, zo spreekt een heilige niet! Zo sprak geen enkele heilige tijdgenoot van Luther, zoals: Fransiscus Xaverius, Petrus Canisius, Carolus Borromeus of Theresa van Avila! Zulke hoogst ongepaste woorden, scheldnamen en verwijten, zulke buitensporige en met elke zedenleer in strijd zijnde

opwekkingen en raadgevingen komen niet eens op in het hart van een heilige en hem al helemaal niet over de lippen. Integendeel, de taal der heiligen munt meestal uit door liefde en nederigheid en als de ijver voor de eeuwige goddelijke waarheid – niet voor een persoonlijke mening – bij hen opvlamt, dan kunnen zij wel heftig tekeer gaan tegen dwaling en zonde, maar sparen diegene in wie die dwaling en zonde gevonden wordt.
Lezer, oordeel nu zelf; kan men mij van overdrijving beschuldigen wanneer ik beweer dat Luther niet alleen geen heilige was, maar daar ook absoluut niet op leek? En een onderzoek van zijn leven, vergeleken met dat van een echte heilige, zal deze uitspraak alleen maar bevestigen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 22 oktober 2016

§22. Is de protestantse godsdienst een heilige godsdienst?

Dat er onder de Protestanten brave en godsdienstige mensen zijn, zal niemand aan twijfelen. Ik ken er zelf verschillenden, die ik om hun oprechtheid en andere goede eigenschappen echt respecteer.

Maar daaruit volgt nog niet dat het Protestantisme een heilige godsdienst is. Er zijn misschien ook wel Joden en Islamieten, op wiens gedrag niet veel valt aan te merken; maar hieruit zal toch niemand concluderen dat de godsdienst van de Joden, die onze goddelijke Heiland als een bedrieger beschouwen, een heilige godsdienst is; zo ook de Islamitische niet, waarin o.a. de zinnelijke wellust wordt voorgesteld als het hoogste geluk van de mens.

De vraag dus, die wij hier moeten beantwoorden, is niet of er onder de Protestanten ook oprechte mensen te vinden zijn, maar of het Protestantisme als godsdienst, m.a.w. of het Protestantse kerkgenootschap, een heilige kerk is zoals de ware Kerk van Christus heilig moet zijn? En op die vraag luidt het antwoord heel zeker: nee. Zie hier waarom.

In de eerste plaats zet de protestantse leer, d.i. de leer van de Hervormers van de 16e eeuw, in haar kenmerkende hoofdpunten, de deur open voor alle ondeugden en zonden.

We geven hier een paar voorbeelden. Luther leerde dat, ook voor een volwassen, het geloof alleen genoeg is om zalig te worden.

‘Nu ziet u’ schreef Luther[1] ‘Hoe rijk de Christen of gedoopte is, want zelfs, wanneer hij zou willen, kan hij zijn heiligheid niet verliezen, hoe groot zijn zonden ook zouden zijn, behalve wanneer hij niet wil geloven. Geen zonde kan hem verloren doen gaan dan alleen het ongeloof.’

Maar lezer, wat komt daar van terecht?

Men kan zich namelijk op de meest beschamende manier zondigen, zonder zijn geloof te verliezen. Gelooft men dus dat het geloof alleen genoeg is om zalig te worden, dan zet men de deur wagenwijd open voor de grootste losbandigheid. En toch deinsde Luther daar niet voor terug. Hij durfde zelfs de raad te geven, er maar flink op los te zondigen, als men er maar voor zorgde nog sterker te geloven. In 1521 schreef hij van de Wartburg aan zijn vriend Melanchton de bekende woorden: ‘wees zondaar en zondig krachtig, maar geloof nog krachtiger.’

Wat denkt u lezer, is dat een heilige leer?

Kan dat de leer zijn die Christus op de wereld heeft gebracht om de mens terug te houden van de zonde en hem de weg te banen naar de hemel?

Hoe Luther dacht over de heiligheid van het huwelijk, blijkt uit het volgende voorbeeld.[2] De landgraaf Philips van Hessen had zin, om naast zijn eerste vrouw, nog een tweede te huwen. De raad van Luther en van zijn vriend en mede-apostel Melanchton werd ingeroepen. Allebei waren ze van mening dat het niet raadzaam zou zijn zulke praktijken algemeen bij het volk in te voeren, maar voor de Landgraaf die voor het ‘zuivere Evangelie’ zoveel had betekend en bleef volhouden dat hij niet genoeg had aan één vrouw, kon het verzoek worden ingewilligd. Melanchton was zelfs zo godsdienstig dat hij het sluiten van dat eerloos ‘huwelijk’ met zijn persoonlijke aanwezigheid opluisterde. Maar als nu die apostelen van de Hervorming in de door hen gepredikte leer geen bezwaar zagen om aan één man twee vrouwen tegelijk toe te staan, dan kon die leer echt geen heilige leer zijn.

Wat de Sacramenten, gebruiken en instellingen betreft, het weinige dat de Protestanten daarvan hebben over gehouden komt nog uit de Katholieke Kerk zoals het Doopsel, de prediking, pleegzusters, zendingsgenootschappen enz., maar zij hebben de beoefening van de deugd en van de Christelijke volmaaktheid in ieder geval niet bevorderd door die vele genademiddelen en heilige instellingen zoals de Biecht, het heilig Misoffer, de ongehuwde staat van de geestelijken en kloostergeloften gewoon maar af te schaffen.

Op wonderen maakt het Protestantisme zelfs geen aanspraak. Alhoewel wij graag de deugd erkennen, waar dit daadwerkelijk deugd genoemd kan worden, kan het Protestantisme geen van haar leden aanwijzen, wiens heiligheid door een wonder zou bezegeld zijn, of die ter bevestiging van de protestantse leer ooit één wonder zou hebben verricht.

Bekijken we zo meteen de heiligheid van de vader van de Hervorming van dichterbij. Het is toch een feit, dat God, om de geloofsijver in Zijn Kerk te doen ontvlammen en de zuiverheid en heiligheid van de zeden te herstellen, daarvoor personen kiest, die door hun deugdzame levenswandel en hun voorbeeldig gedrag tonen, werkelijk door God gezonden en met Gods geest bezield te zijn, zoals bijv. Bernardus, Dominicus, Franciscus van Assisi en Ignatius van Loyola, die in het hart van duizenden geloof en godsdienst deden herleven, maar zelf ook mannen waren, wiens stichtend en heilig leven door vriend en vijand werd bewonderd. Hoorde Luther ook tot het geslacht van heiligen?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen



[1] ‘De Captivitate Babyl. Ecclesiae praeludium Martini Lutheri.’
[2] Zie o.a. bij Janssen, Geschichte des Deutschen Volkes DI. III hoofdstuk XII.

§21. Waarom moet de Kerk van Christus heilig zijn?

TWEEDE HOOFDSTUK – De ware Kerk van Christus moet heilig zijn

§21. Waarom moet de Kerk van Christus heilig zijn?

Laten wij, voordat we hierop antwoorden, eerst duidelijk maken, waarin de heiligheid van de Kerk moet bestaan.
De ware Kerk van Christus moet:
1. Een heilige leer bezitten;
2. Behalve haar leer, andere heiligingsmiddelen hebben, waardoor de zwakheid van de mensen geholpen wordt om ook werkelijk volgens die heilige leer te leven;
3. Leden tellen, die door haar leer en leiding tot ware heiligheid werden opgevoerd.
En omdat Christus (Mark. 16, 17-18) aan Zijn Kerk uitdrukkelijk de gave van wonderen heeft beloofd, moet Zijn Kerk zich ook op ware wonderen kunnen beroemen, die uitwendige en goddelijke bewijzen zijn, waaraan de waarheid van haar leer en de heiligheid van haar kinderen in de hemel met volle zekerheid kan worden herkend. (Zie hierover §§ 55-59).

De ware Kerk van Christus moet dus heilig zijn in haar leer, genademiddelen en instellingen en in haar leden.

Waarom moet de ware Kerk van Christus deze eigenschappen bezitten?

Omdat zij het werk, de stichting, van Christus, de driemaal heilige Zoon van God is. Hoe zou de leer die Hij verkondigde, niet heilig zijn, aangezien ze goddelijk is? Hoe zouden de genademiddelen door Hem ingesteld, niet heiligend werken? Hoe zouden de Christenen, geholpen door die middelen en levend naar die leer, niet tot ware heiligheid komen?

En wanneer wij op het doel letten, waarmee Christus zijn Kerk heeft gesticht, wat is het anders dan de heiliging van de mensen aangezien de mens alleen langs de weg van deugd, braafheid en heiligheid in de hemel kan komen en onze zaligheid het enige doel is waarvoor de Zaligmaker in de wereld kwam?

Kijken wij nu hoe het er voor staat met dit kenteken van heiligheid, eerst in het  Protestantisme, daarna in de Katholieke Kerk.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen