vrijdag 20 oktober 2017

§ 56. Kan God wonderen doen in het voordeel van een valse godsdienst?

Nee, dat kan God niet, want hierdoor zou Hij de onwaarheid bevestigen; God zou daardoor de mensen in dwaling brengen, en dit is in strijd met zijn oneindige goedheid, wijsheid en heiligheid. Ik zeg: in het voordeel van een valse godsdienst; hieruit volgt dus niet dat God geen wonderen kan doen in het voordeel van een persoon die buiten de ware godsdienst leeft.

Zo wordt er bijv. verteld, dat er zelfs heidenen zijn geweest, die vals werden beschuldigd van een grote misdaad, en om hun onschuld te bewijzen met blote voeten en ongedeerd over gloeiende kolen zijn gelopen. Of dit nu echt is gebeurd, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar het is niet helemaal onmogelijk. Zo’n wonder hoeft niet in strijd te zijn met Gods wijsheid of heiligheid. God zou hierdoor namelijk niemand bedriegen of misleiden. De toeschouwers zouden daaruit alleen opmaken dat diegene onschuldig is aan de misdaad waarvan hij beschuldigd wordt; maar niemand zou in zo’n geval dit wonder zien als het bewijs voor de waarheid van de heidense godsdienst, omdat het niet een getuigenis is voor de godsdienst, maar voor de onschuld van die heiden.

Het wordt een ander verhaal wanneer een wonder duidelijk in verband staat met een bepaalde godsdienst. Voorbeeld: De Katholieke Kerk leert, dat men de Heiligen (vooral de Moeder van Christus) moet eren en dat het goed en heilzaam is om hun voorspraak in te roepen. Stelt u zich eens voor dat een Katholiek die al jarenlang blind is, met een kinderlijk vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de H. Maagd, om door haar voorspraak weer te kunnen zien. Zou God dat gebed kunnen verhoren en die blinde door een wonder kunnen genezen? Als de leer van de Katholieke Kerk over de verering van Heiligen een ware leer is, zeker; maar anders absoluut niet.

Waarom niet? Omdat God door zo’n wonder iedereen zou kunnen overtuigen dat die Katholiek er goed aan heeft gedaan, de H. Maagd te eren en haar voorspraak in te roepen; maar u zult begrijpen dat God de mensen daarvan niet kon overtuigen als de Katholieke leer over de verering en aanroeping van Heiligen vals was, en in strijd met de leer van Christus. Met één woord: God kan alleen door een wonder de waarheid bevestigen. Als God dus wonderen doet in het voordeel van een bepaalde godsdienst, (d.w.z. als God een wonder doet onder die omstandigheden dat iedereen het wonder wel moet beschouwen als een bewijs voor de waarheid van die godsdienst) dan kan men ook zeker zijn dat die godsdienst de ware godsdienst is; anders zou God zelfs ons door zulke wonderen op een dwaalspoor kunnen brengen, en dat is onmogelijk; godslasterlijk zelfs.




dinsdag 10 oktober 2017

Repliek op artikel van Stichting In de Rechte Straat

De Stichting In de Rechte Straat (IRS) heeft recent een artikel gepubliceerd over de gesprekken tussen Gereformeerden en Katholieken over de rechtvaardigingsleer.

Een citaat uit dit artikel: "Door het geloof in Christus geeft God uit genade zondige mensen een nieuwe identiteit, een bestaan in Christus, los van wie je bent, los van wat je doet. Zo zegt Paulus het, zo begreep Luther het – en dat heeft Rome nooit goed begrepen. Nee, dat betekent niet dat wat je bent of wat je doet God onverschillig is – de oude angst van Rome – maar het belangrijkste is: in Christus ben ik een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden."

De misvattingen van Protestanten mbt de rechtvaardigingsleer worden weerlegd in dit artikel. Een uitgebreide bespreking van de opvattingen van Maarten Luther.

woensdag 4 oktober 2017

§ 55. Wat is een wonder en waaraan kan, tenminste in sommige gevallen, de authenticiteit van een wonder worden herkend?

ZEVENDE HOOFDSTUK - Wonderen


§ 55. Wat is een wonder en waaraan kan, tenminste in sommige gevallen, de authenticiteit van een wonder worden herkend?

Onder een wonder verstaan we hier een buitengewoon feit, dat de krachten van de natuur te boven gaat en wat alleen door de bijzondere werking van God kan gebeuren. Deze twee voorwaarden moeten beiden absoluut aanwezig zijn; want er kunnen soms wonderlijke dingen gebeuren, waar geen mens of een natuurkracht toe in staat is, zonder dat er daarom sprake is van een wonder. Als er bijv. iemand opeens een vreemde taal begint te spreken die hij nooit geleerd heeft of in waarheid weet te vertellen wat er op het moment op grote afstand gebeurt, dan is het zeker een feit, dat de krachten van de mens te boven gaat, en langs de natuurlijke weg ook niet te verklaren valt, en toch kan men niet gelijk zeggen dat zoiets werkelijk een wonder is. Waarom niet? Omdat het heel goed kan gebeuren dat zoiets niet door de tussenkomst van God gebeurt, maar door de tussenkomst van de duivel. De duivel is dan wel slecht, maar hij is wel een engel gebleven; en daarom is zijn kracht en verstand veel groter dan dat van ons. Bovendien kan hij, omdat hij een geest is, en dus geen lichaam heeft, zich in een oogwenk van de ene plaats naar de andere begeven, zonder ergens door te worden tegen gehouden. Het gevolg is dat de duivel, in zover God het toelaat, iets vreemds of wonderlijks kan doen of bewerken, waartoe een mens niet in staat is; maar dit is geen wonder, maar duivelswerk.

Maar hoe kan men nu onderscheiden, of een bepaald wonderlijk feit, door de tussenkomst van God of van de duivel gebeurt? Hoe kan men nu weten of zoiets werkelijk een wonder is, of alleen maar het werk van de duivel? Dat is niet altijd even makkelijk, en daarom moet men bij het beoordelen van zulke feiten altijd heel voorzichtig te werk gaan; maar toch zijn er veel gevallen, waar de werking van God duidelijk en met zekerheid kan worden onderscheiden.

Ten eerste, wanneer er iets gebeurt, dat blijkbaar niet alleen de krachten van de mens, maar ook de krachten van alle schepselen (dus ook van de duivel) te boven gaat, dan is het duidelijk, dat zoiets gebeurt door de bijzondere tussenkomst van God; bijv. iemand die uit de dood opstaat, dat kan geen enkel schepsel, dat kan God alleen, de enige meester van leven en dood. Als dus zoiets gebeurt, weten we zeker dat er sprake is van een echt wonder.

Ten tweede, als de wonderlijke en bovennatuurlijke gebeurtenissen die her en der gebeuren of gebeurd zijn, als gevolg hebben dat daardoor de eer van God en de uitbreiding van de godsdienst worden bevorderd, ook dan kan men er zeker van zijn dat zulke feiten niet gebeuren door de tussenkomst van de duivel, maar door de tussenkomst van God. Om dit met een voorbeeld te verduidelijken: stelt u zich eens voor dat (zoals vaak gebeurd is en nog steeds gebeurt) een deugdzaam en heilig priester, die onder de heidenen het geloof verkondigt, door het kruisteken of door het storten van een klein gebed, veel zieken plotseling geneest, aan verschillende doven het gehoor en aan blinden het zicht teruggeeft, en dat bij het zien van die wonderen de heidenen bij honderden zich bekeren en afstand doen van hun zedeloze levensstijl en zich met hart en ziel inzetten voor het geloof, de deugd en de reinheid. Men zou het verstand verloren hebben wanneer men in zulke gevallen durft te beweren dat die wonderlijke genezingen het werk zijn van de duivel. De duivel zal namelijk geen moeite doen om zijn eigen rijk te vernietigen en de mensen aan te sporen een godsdienstig en deugdzaam leven te leiden en daardoor in de hemel te brengen. In zulke gevallen is het dus duidelijk dat men werkelijk te doen heeft met wonderen.



maandag 25 september 2017

§ 54. De Katholieken tonen eerbied voor de relieken of overblijfselen van Heiligen: is dat niet onnozel?

Ook hierover horen we vaak spreken alsof het de grootste dwaasheid is. Wat zullen we daarop zeggen? Opnieuw de eenvoudige vraag: wat doet men in het gewone leven? Ook daar wordt iets dat van een dierbare overledene is geweest, hoe nietig het op zichzelf ook is, bijv. een ring of een haarlok, als een kostbaar voorwerp beschouwd, bewaard en in ere gehouden, en wat men ook wil afstaan, dit voorwerp of ‘souvenir’, is voor geen geld te krijgen. Hecht men bijv. niet veel meer waarde aan de haarlok van een overleden vader, kind, echtgenoot, dan aan de gouden medaille, waardoor die zorgvuldig wordt ingesloten? Aan kledingstukken, wapens en andere nagelaten voorwerpen wordt een eervolle plaats bereid in onze musea. En als u in Den Haag de zogenaamde ‘Gevangenpoort’ bezoekt, zal een gids u vertellen dat ooit een Engelsman duizend gulden geboden heeft voor een plankje, waarop Cornelis de Witt, broer van de raadspensionaris Johan de Witt, tijdens zijn gevangenschap de voorgevel van zijn huis heeft gekerfd. Of dit bedrag nu werkelijk geboden is, doet er niet toe; ik wil alleen opmerken dat men ook in de burgerlijke maatschappij datgene, wat aan dierbare overledenen of aan grote en verdienstelijke mannen herinnert, zo erg op prijs stelt en in ere houdt, klinkt het dan niet dwaas de Katholieken voor onnozel uit te maken, omdat zij hetzelfde doen op godsdienstig gebied? Omdat zij eerbied tonen voor de relieken van Heiligen, voor de overblijfselen van diegenen die door God zelf zo worden geëerd en daarom meer dan een werelds iemand onze eerbied verdienen?

De beschuldiging, dat de Katholieken door de eerbied die zij aan de Heiligen betonen, zich schuldig maken aan afgoderij en daarom zondigen tegen het eerste gebod, is dus gewoon kinderachtig.



zondag 17 september 2017

§ 53. Maar de Katholieken maken beelden om de Heiligen te vereren. Is dat niet een soort afgoderij, en in strijd met het eerste gebod, waarin het maken van beelden wordt verboden.

Toen God op de berg Sinaï voor het Joodse volk Zijn tien geboden afkondigde, zei Hij dan wel: ‘Gij zult geen gesneden beeld of voorstelling maken; gij zult die niet aanbidden of eer bewijzen’, (ex.20, 4) . maar wat werd er met deze woorden bedoeld? Wilde God daarmee duidelijk maken dat het maken van beelden altijd ongeoorloofd was? Nee, God gaf namelijk zelf aan de Joden het bevel, twee gouden Cherubijnen te maken en die op de Ark van het Verbond te plaatsen.

Wat bedoelde God dan met het verbod om beelden te maken? God wilde de Joden weerhouden van afgoderij. De Joden keerden in die dagen juist terug uit de slavernij van Egypte. Daar hadden ze gezien hoe de Egyptenaren allerlei beelden als afgoden vereerden; zij leefden bovendien tussen heidenen die afgoden aanbaden; en omdat de Joden snel geneigd waren om verkeerde gewoonten van de heidenen over te nemen, (waarvan het gouden kalf een bewijs is) werd hen op het hart gedrukt, dat zij geen beelden zouden maken, om die, zoals de heidenen dat deden, als afgoden te aanbidden. Dat God dit hiermee bedoelde toen Hij zei: ‘Gij zult geen gesneden beeld of voorstelling maken’, blijkt ook uit de woorden die hieraan vooraf gaan: ‘Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben’ en daarna: ‘Gij zult die niet aanbidden noch dienen; want Ik ben de Heer uw God, de Sterke, de IJveraar,’ d.i. die geen andere God naast zich duldt. Door deze woorden liet God duidelijk blijken dat men geen afgodsbeelden mocht maken. (d.i. beelden maken met het doel, ze als afgoden te vereren; wat de heidenen deden) Iedereen weet heel goed dat de Katholieken zo iets absoluut niet doen.

Zij maken wel beelden, maar niet zoals de heidenen, om een bepaalde afgod te vereren, maar om de ware God te eren en voor de verheerlijking van Zijn Heiligen.

En dan nog te bedenken dat de andersdenkenden beweren dat de Katholieke Kerk pas later in de tijd van de ware weg is afgeweken. Dan moeten dus in de eerste eeuwen haar leer en haar gebruiken nog goed en heilig zijn geweest en zeker niet in strijd met Gods geboden. Welnu, het gebruik om Christus en de Heiligen in beelden voor te stellen, bestond in de Katholieke Kerk al in de eerste eeuwen, net zoals nu. De catacomben van Rome zijn daar een bewijs van. Als dat gebruik toen niet in strijd was met Gods geboden, waarom dan nu wel?

Nog een opmerking: Diegenen die het maken van beelden veroordelen, beroepen zich op de woorden van het eerste gebod: ‘Gij zult geen gesneden beeld maken’. Maar als de woorden zo letterlijk moeten worden genomen, dat daar niet alleen afgodsbeelden, maar ook alle andere beelden, mee worden verboden, dan moet men toch ook die beelden afkeuren die
worden opgericht ter ere van koningen, helden, wijsgeren, dichters enz.

Zo zien we bijv. in Den Haag het standbeeld van Spinoza, die vanwege zij ongeloof en goddeloze geschriften weinig aanspraak kan maken op eerbied en bewondering van het nageslacht. Tegen zo’n beeld heeft niemand een bezwaar, en dan denkt men God te beledigen door beelden op te richten, ter ere van diegenen die werkelijk groot zijn in Gods ogen, zoals bijv. Jezus’ moeder of van Zijn Heiligen in de hemel.

Soms zegt men ook wel: Ja, maar de Katholieken maken niet alleen beelden, maar zij vereren die beelden ook door ze met licht en bloemen te versieren.

Zeker, en waarom niet?

Zien wij op de verjaardag van de Koning/Koningin ook niet op veel plaatsen zijn/haar portret of borstbeeld met licht en bloemen en andere blijken van eer versierd? Vindt u dat zo onzinnig en dwaas? Wordt u hierdoor geërgerd? Ik denk het niet. Want iedereen begrijpt heel goed dat men die eer niet bewijst aan dat papieren portret of dat houten of stenen borstbeeld, maar aan de Koning/Koningin zelf, die hiermee wordt voorgesteld. Zo’n verering of huldebetoon vinden we allemaal helemaal gepast; maar als de Katholieken de beelden versieren niet alleen van onze eerwaarde Vorst/Vorstin, maar ook van Gods Heiligen, is het dan niet onredelijk hen dit te verwijten?

Het klopt dat de Katholieken hierin verder gaan. Men ziet ze soms knielend voor een beeld bidden. Maar u begrijpt toch wel dat zij dit niet doen uit eerbied voor hout of steen, of om iets van het beeld te verkrijgen, maar om hen te eren, of als voorsprekers in te roepen, aan wiens deugd en heiligheid dat beeld ons herinnert.


zaterdag 9 september 2017

§ 52. Is het aanroepen van Heiligen niet in strijd met de goddelijke Openbaring, die leert dat er tussen God en de mensen maar één Middelaar is, Jezus Christus?

Ik weet dat dit bezwaar vaak wordt opgeworpen tegen de Katholieke Kerk, en toch lezer, als we elkaar goed begrijpen, zult u al snel inzien, dat het niets te betekenen heeft.

Het is absoluut waar dat onze Heer Jezus Christus de enige Middelaar is, die door Zijn lijden en dood voor de zonden van de hele mensheid heeft betaald, en voor alle mensen van goede wil opnieuw de hemel heeft geopend.

Hij, de mens geworden God, is de enige Middelaar, zonder wiens verdiensten niemand zalig wordt en niemand iets goeds of nuttigs voor zijn zaligheid kan doen; want daarvoor wordt de hulp van de goddelijke genade vereist, dat niets anders is dan de vrucht van Christus’ verdiensten.

Zo leren de Protestanten, nietwaar? Maar zo leren de Katholieken ook, en tot hier toe zijn wij het dus helemaal met elkaar eens. Maar volgt daaruit dan dat het voor anderen onmogelijk is, hier iets aan bij te dragen, en op hun manier ons te steunen en te helpen bij het bewerken van onze zaligheid? We lezen dat de vrome moeder van Augustinus, de H. Monica, jarenlang heeft gebeden voor de bekering van haar afgedwaalde zoon en dat Augustinus zelf, de genade van zij bekering dankbaar toeschrijft aan het volhardend gebed van zijn vrome moeder. Moeten wij dat eenvoudige en zo makkelijk verklaarbare feit nu als een hersenschim verwerpen, alsof het onmogelijk zou zijn, omdat Christus de enige Middelaar is en niemand zijn zaligheid kan bewerken zonder Zijn verdiensten? Maar men zou toch denken dat als Christus zelf over Zijn eigen verdiensten beschikt, dan kan Hij zich ook door het gebed van een trouwe dienaar of dienares laten bewegen om zijn genaden (de vrucht van Zijn verdiensten) aan iedereen te schenken, zoveel Hij wil. Dat dit kan gebeuren, en ook echt gebeurt, daar zijn we allemaal van overtuigd. En omdat we daarvan overtuigd zijn, bidden we voor elkaar en stellen we het op prijs als anderen voor ons bidden.

De leer van de Katholieke Kerk komt dus eenvoudig hier op neer: de Heiligen in de hemel, en zelfs de rechtvaardigen hier op aarde, oftewel de vrienden van God, kunnen door hun tussenkomst (d.i. hun gebed) Gods genaden en zegeningen over ons afsmeken, en als zij dat doen, dan treden zij dus op als onze beschermers en voorsprekers. In zover kunnen we hen dus tussenpersoon of middelaars noemen tussen ons en Christus, wiens goedheid en barmhartigheid zij voor ons inroepen. Maar middelaar in die zin waarin wij Christus onze Middelaar noemen, zijn zij volgens de Katholieke leer absoluut niet, omdat zij niet zoals Christus de macht hebben om uit zich zelf iets te geven, maar alleen kunnen vragen; en ook omdat alle bovennatuurlijke gaven, die zij door hun gebed voor ons verkrijgen, ons alleen door de verdiensten van Christus worden geschonken.

De leer van de Katholieke Kerk over het aanroepen van Heiligen doet dus zeker geen afbreuk aan de waardigheid of de verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus. Wij geloven namelijk dat de Heiligen door hun voorspraak veel van God kunnen verkrijgen vanwege hun deugdzaamheid en hun heiligheid, waardoor zij de bijzondere vrienden van God zijn geworden; maar die uitmuntende deugdzaamheid en heiligheid hebben zij op de eerste plaatst te danken aan de oneindige verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus. Zonder Zijn genade kunnen wij, net zo goed als zij, niets doen voor onze zaligheid. En als God zo goed is om het gebed van Zijn Heiligen in ons voordeel te verhoren, dan zijn het niet die Heiligen, maar dan is het Christus zelf die, om hun gebed, guller wil geven uit de onuitputtelijke schat van Zijn verdiensten. Hoe kan men dan beweren dat daardoor de verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus, zouden worden verminderd? Zouden we niet eerder mogen zeggen dat juist door die leer de oneindige verdiensten en de grootheid van die Middelaar juist meer worden belicht?

Deze moeilijkheid is eigenlijk te klein om er nog langer bij stil te staan, maar u zou eens de kerkgeschiedenis moeten lezen. U zult er achter komen dat al in de allereerste eeuwen van de Kerk, net zozeer de voorspraak van de Heiligen werd ingeroepen als nu. Maar zou de Kerk dan al vanaf het begin op het dwaalspoor zijn geweest? Dan zouden we moeten zeggen dat Christus weinig eer van zijn werk heeft gehad.



zondag 6 augustus 2017

§ 51. Maar de Katholieken eren niet alleen de Heiligen, zij nemen ook tot hen hun toevlucht en roepen hen aan....

...op deze manier schijnen zij dus aan de Heiligen een goddelijke macht toe te schrijven. 


Toch is dit niet het geval, lezer. Dat ‘dus’ gaat hier absoluut niet op. Het klopt, dat de Katholieken de Heiligen aanroepen en tot hen hun toevlucht nemen; maar om aan de Heiligen een goddelijke macht toe te kennen, heeft een Katholiek nog nooit serieus over gedacht. De Katholieke Kerk leert, dat de Heiligen, hoe verheven ze ook zijn, toch schepselen zijn (en altijd zullen blijven) net zoals wij. Zonder God beschikken zij dus nergens over en zij kunnen daarom uit zichzelf ons niets geven. Maar wat zij wel kunnen doen: datgene wat zij aan ons willen geven, door hun gebed/voorspraak, voor ons van God vragen. Nu, zoals men in de wereld, wanneer men iets van de koning wil krijgen ,de hulp of tussenkomst inroept van diegenen die om hun verdiensten of betrekking hoog in aanzien zijn bij de koning, zo roepen de Katholieken om iets van God te krijgen, ook de tussenkomst en voorspraak in van diegenen die om hun deugden en verdiensten in aanzien staan bij de Koning van de hemel. Vindt u dat nou onredelijk?

Zelf bidden wij hier ook al voor elkaar, en alhoewel we geen Heiligen zijn, geloven we toch dat we door een nederig gebed, ook over anderen Gods zegen kunnen afsmeken. Daarom bidden brave ouders voor hun kinderen en andersom. En als wij in onze familie- of vriendenkring iemand hebben die buitengewoon deugdzaam is, dan stellen we het op prijs als hij/zij voor ons bidt; want wij geloven dat zo’n bijzondere vriend van God door zijn/haar gebed veel voor ons kan verkrijgen. Dit is met alle recht, want de H. Schrift verzekert ons dat ‘het krachtig gebed van een rechtvaardige, vermag veel’ (Jak. 5, 16). Als we nu verstandig handelen wanneer we ons in gebed aanbevelen bij diegenen die vanwege hun uitmuntende deugdzaamheid door God worden bemind (ondanks dat ze tegelijkertijd nog heel goed hun fouten en zwakheden kunnen hebben), wat kan er dan op tegen zijn, dat we ons in gebed aanbevelen bij diegenen die door hun deugd en trouw al in de hemel door God worden beloond? (en dus niet onderworpen zijn aan menselijke fouten en zwakheden en nooit meer God zullen/kunnen beledigen en dus voor eeuwig Gods bijzondere vrienden zullen blijven) Het klopt dat de Heiligen in de hemel niets meer kunnen verdienen voor zichzelf, want bij de dood houdt deze tijd op, maar dat neemt niet weg dat zij niet kunnen bidden voor anderen, wiens geluk zij heel belangrijk vinden. Zou bijv. een brave moeder als zij in de hemel is haar kinderen moeten vergeten, terwijl zij tijdens haar leven op aarde elke dag vurig bad voor het geluk van haar kinderen? Of denkt u dat het zo’n moeder koud zou laten als zij ziet dat haar achtergebleven kinderen haar gebed en tussenkomst bij God dringend afsmeken?

U zult zich wellicht afvragen hoe de Heiligen in de hemel kunnen weten, of wij hun tussenkomst inroepen? Ik denk dat die vraag het beste beantwoord kan worden met de tegenvraag: Gelooft u dat God alwetend en almachtig is? Dan gelooft u toch ook vast dat God duizenden middelen heeft om Zijn Heiligen te laten weten, wat wij van hen vragen.

Dat er tussen ons en de hemelingen gemeenschap is, blijkt ook duidelijk uit deze woorden van Christus: ‘Ik zeg u, er is vreugde bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.’ En: ‘Er zal meer vreugde zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.’(Luc. 15, 10, 7)

In de volgende paragraaf vinden een ander bezwaar.


vrijdag 4 augustus 2017

Hoe katholiek zijn gereformeerde christenen?

In het Reformatorisch Dagblad staat een heel boeiend interview met Prof. dr. W. van Vlastuin van de Hersteld Hervormde Kerk over de katholiciteit in zijn denominatie en andere Gereformeerde kerken. Prof. Vlastuin durft eerlijk in de spiegel te kijken en komt met opmerkelijke conclusies, hij durft stellige conclusies trekken. Hier enkele opmerkelijke citaten van hem:

“De eenheid van de Rooms-Katholieke Kerk houdt ons inderdaad een spiegel voor. We zijn zo modern dat we niet eens meer lijden onder de verscheurdheid.”

...

“Dat de kerk voor hen echt het lichaam van Christus is. Dat kun je je niet concreet genoeg voorstellen. Men dacht vanuit de zichtbare kerk en vanuit het geheel. Eén hoofd met een ongedeeld lichaam. Als de kerk werkelijk het lichaam van Christus is, kan er maar één kerk zijn. Die twee zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Christus is present in het lichaam. Cyprianus benadrukt daarnaast dat de kerk de tempel van de Heilige Geest is. In de kerk ben je dus in aanwezigheid van de Geest.”

...

“Bij elke scheuring van de kerk verlies je iets van de volheid van het geloof. In mijn boek gebruik ik het beeld van een bloem waar alle blaadjes uit getrokken zijn. Dat is de situatie van vandaag. We zien losse blaadjes in de vorm van denominaties. Die hebben iets te maken met de bloem, maar ze zijn het niet meer. Je kunt de blaadjes bij elkaar leggen, maar daarmee heb je de bloem niet terug. Het geheel is meer dan de som van de delen.”…” We hebben het over de blaadjes, niet over de bloem. Afgezien van de vraag of de blaadjes nog leven.”

...

“Onze grondhouding is vaak dat wij over de waarheid beschikken. Vervolgens kijken we om ons heen of er nog mensen zijn bij wie we geestelijke herkenning ervaren. Zo maak je jezelf tot uitgangspunt. Heel wezenlijk is voor mij wat Paulus zegt in Efeze 3:19. We hebben al de heiligen nodig om iets te verstaan van de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte van de liefde van Christus. Dat is anti-exclusief: een denken vanuit het geheel en vanuit Christus. Het benadrukken van het eigene van de denominatie waartoe we behoren is in z’n ultieme vorm het kenmerk van een sekte.”

...

We zullen moeten erkennen dat we de kerk als lichaam van Christus kwijt zijn”, stelt u in uw boek. Dat is nogal een uitspraak.

„Ja, we zien wel denominaties, maar zien wij de kerk als lichaam van Christus? Door mijn onderzoek ben ik me nog meer bewust geworden van de gebrokenheid en mijn verlegenheid met die situatie. Aan de andere kant beleef ik nu bij het betreden van de kerkzaal op zondag bewuster dat ik in het lichaam van Christus en in de tegenwoordigheid van Hem treed. En dat het dáár moet gebeuren. De ontmoeting met God is er in de eerste plaats in de kerk, en pas in de tweede plaats in de binnenkamer. Deze volgorde is onomkeerbaar. In de kerk zijn we op de heiligste plaats in de wereld; de brandende braambos.”


De analyse van prof. Van Vlastuin is grofweg goed, en terecht worden grote woorden gebruikt tegen de versplintering in Gereformeerde kring, maar nu nog de daad bij het woord voegen……

Voor mij is het individualisme in de gereformeerde kerken een belangrijk reden geweest om Rooms Katholiek te worden. Zie ook dit artikel over de Dogmatiek van Prof. Bavinck.

Boeiend in dit kader is ook volgend artikel over de blijvende en positieve kenmerken van de ware Kerk.

“Het is duidelijk dat de Kerk een beschikbare gids moet zijn voor armen zowel als rijken, geleerden en niet-geleerden, haar kenmerken moeten erg simpel, helder en begrijpelijk zijn. Deze kenmerken moeten niet afhankelijk zijn van opleiding, niet naar voren gebracht worden door een zeer diepzinnige redenering, maar moeten direct de verbeelding aanspreken en het gevoel prikkelen. Ze moeten een soort intern bewijs in zich dragen die de voortdurende discussie overstijgt en die de waarheid zelfevident maakt.”


- John Henry Cardinal Newman, Essays, I, noot 4 -