donderdag 22 september 2016

§14. Is in het Protestantisme die noodzakelijke eenheid van leer te vinden?

Och lezer, kunt u die vraag wel serieus menen? Het Protestantisme is nog maar drie eeuwen oud, en het is al in meer dan honderd verschillende sekten uiteengespat, die er, ieder voor zich, een bijzondere geloofsleer op nahouden.

En dat was te voorzien, dat kon niet anders. Had Luther het recht om, zonder zich aan een hoog kerkelijk leergezag te storen, met de Bijbel in de hand te bepalen, wat men op godsdienstig gebied wel of niet moest geloven, dan had Calvijn net zo goed dat recht. Luther nu zag de woorden van de Bijbel zo, - Calvijn zag het weer heel anders. Wat door Luther, op gezag van de Bijbel, als geloofspunt werd geleerd, werd op gezag van dezelfde Bijbel, door Calvijn als leugen verworpen. En natuurlijk, hierbij bleef het niet. Wat Luther en Calvijn deden, dat deden met het zelfde recht hun volgelingen ook. Iedereen verstond en verklaarde de Bijbel naar eigen opvatting en inzicht. En waarom niet? Als hoofdbeginsel van het Protestantisme geldt namelijk vrijheid van onderzoek. Maar wat kon daar anders uit voortkomen dan de grootste wanorde en godsdienstige verdeeldheid? De meest uiteenlopende sekten sproten dan ook bij tientallen uit de grond op. Wat door de éne werd opgebouwd, werd door de ander afgebroken. En is het nu niet zover dat men in iedere grote stad een aantal Protestantse sekten vindt, waarvan ieder een afzonderlijke en op zichzelf staande richting volgt, ja, dat soms in één gezin, de man dit, de vrouw weer iets anders, en de kinderen soms weer iets anders geloven?

Kunnen we dit nu eenheid van geloof noemen? Is dit nu eenheid van godsdienstleer? Nee, dit is verdeeldheid en verwarring zonder einde.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§13. De ware Kerk moet één zijn, wat haar Leer betreft.

Dat wil zeggen, dat de Kerk in datgene, wat zij voorhoudt te geloven, overal en altijd dezelfde leer moet belijden; m.a.w. dat de leerstukken, die zij als geloofspunten voorhoudt, overal hetzelfde moeten zijn, en nooit elkaar mogen tegenspreken.

Waarom? Omdat Christus Zijn Kerk de last heeft opgelegd, niet om menselijke leerstellingen en meningen, niet om hier dit en ergens anders iets anders te verkondigen, maar om dat te preken wat Hij zelf had geleerd, ‘Gaat,’  sprak Christus, ‘en onderwijst alle volken, leert hen onderhouden, al wat Ik u bevolen heb.’ (Matth. 18, 19) ‘Predikt’ – niet wat u kiest, maar – ‘het Evangelie aan elk schepsel’. (Mark. 16, 15)

Als nu de ware Kerk van Christus alleen die leer mag verkondigen, die Christus verkondigd heeft, en dus alleen die waarheden mag voorhouden te geloven, die door Christus zijn geopenbaard, dan volgt daaruit duidelijk, dat zij nergens en nooit kan voorhouden tegenstrijdige waarheden te geloven. Twee tegenstrijdige leringen kunnen namelijk niet tegelijk waar zijn, en dus ook niet allebei door Christus geopenbaard zijn. Is de éne zeker door Christus geopenbaard, dan is de andere, die daarmee in strijd is, net zo zeker een dwaling en een leugen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 18 september 2016

§12. Heeft de Katholieke Kerk een zichtbaar Opperhoofd en is dat Opperhoofd werkelijk de wettige opvolger van Petrus?

Ik denk, lezer, dat ik op die vraag geen antwoord meer hoef te geven. Iedereen weet toch, dat alle Katholieken, zoveel miljoen als er zijn, onder de gehoorzaamheid staan van de Paus van Rome, en hem als zichtbaar Opperhoofd en als stadhouder van Christus op aarde zien en eerbiedigen.

En of de Paus, de Bisschop van Rome, ook de wettige opvolger van de H. Petrus is? Welk verstandig mens kan daaraan twijfelen? Neem de geschiedenis in de hand, ga die lange rij van bisschoppen van Rome na, aan wie wij de naam van Paus, d.i. Vader geven, tel van de laatste steeds terug, en u zult uitkomen aan de voeten van Petrus, die het eerst door Christus zelf als zichtbaar hoofd werd aangesteld. Overigens, welke andere bisschop dan de bisschop van Rome, heeft in vroegere of latere tijd, er ooit aanspraak op gemaakt de opvolger van Petrus als hoofd van de Kerk te zijn?

En is het niet opmerkelijk, en toont zich hier niet de vinger van de goddelijke Voorzienigheid: de machtigste koninkrijken en keizerrijken werden door de tijd heen omvergeworpen en vernietigd, de beroemdste vorstenhuizen stierven uit en lieten geen spoor van zichzelf achter; alles viel en verdween van het toneel van deze wereld, alleen Petrus bleef. Hij aan wie Christus het bestuur van Zijn Kerk had toevertrouwd, hij bleef voortleven in zijn opvolgers. De geschiedenis leert ons, hoe de Pausen steeds het doel waren van de felste vervolging; op hen hadden het ongeloof en de zedeloosheid hun giftigste pijlen gericht; ruw geweld, boze list en gemene laster, alles werd aangewend om de Pausen het voortbestaan onmogelijk te maken, en toch…. zij bleven. Zij alleen hebben de stormen van eeuwen ontworsteld, en zie, na 19 eeuwen, ontvangt de tegenwoordig  regerende Paus Pius X van zijn miljoenen kinderen dezelfde blijk van eerbied, liefde en onderwerping, die de H. Petrus ontving van de eerste kinderen van de Kerk. Wat denkt u, lezer, zou het nu overmoedig zijn, in zo’n wonderlijk feit de bijzondere leiding van de goddelijke Voorzienigheid te zien?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§11. In het Protestantisme vinden we zo’n zichtbaar opperhoofd niet.

Waar zou men bij de Protestanten dat zichtbaar opperhoofd ook moeten zoeken? Waar is diegene, die op godsdienstig gebied alle Protestanten van Nederland, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Amerika, kortom van de hele wereld, gehoorzaamheid betonen of schuldig denken te zijn?

Of wil men het Protestantisme in zijn verschillende sekten bekijken: Waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Calvinisten? Waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Lutheranen? Enz. Nergens; zo’n opperhoofd hebben zij niet; en toch, zoals we net duidelijk hebben laten zien, de Kerk, Die door Christus werd gesticht, moet zo’n zichtbaar opperhoofd hebben. Maar hoe kunnen dan de Protestanten, of zij zich nu Lutheranen, Calvinisten of nog iets anders noemen, hoe kunnen zij beweren, de ware kerk van Christus te zijn?

Toen ik eens een gemoedelijke Protestant dit belangrijke punt benoemde, antwoordde hij: ‘Wij Protestanten zijn er beter aan toe dan de Katholieken; want zij hebben een mens, namelijk de Paus, tot Opperhoofd; maar ons opperhoofd is niemand anders dan onze Heer Jezus Christus.’

Wel aardig gezegd. Maar ten eerste was dat geen antwoord op mijn opmerking die luidde: ‘Jezus Christus heeft als zijn plaatsvervanger op aarde, aan Zijn Kerk een zichtbaar Opperhoofd gegeven; jullie hebben geen zichtbaar opperhoofd; daarom zijn jullie de ware Kerk van Christus niet. Ten tweede: de Katholieke Kerk erkent de Paus alleen als haar Opperhoofd, omdat en in zover hij de zichtbare plaatsbekleder is van haar onzichtbaar Opperhoofd, Jezus Christus. Men kan dus niet zeggen: de Protestanten hebben Jezus Christus als Opperhoofd en de Katholieken alleen de Paus; nee, de Katholieken, net zoals de strenggelovige Protestanten, erkennen Jezus Christus als het Opperhoofd van hun Kerk, alleen met het verschil, dat de Katholieken geloven en belijden, dat Jezus Christus in de persoon van de Paus hen Zijn zichtbare plaatsbekleder heeft geschonken, om de zichtbare Kerk op aarde in Zijn naam te besturen; terwijl de Protestant, die denkt dat de Kerk onzichtbaar is, - wat wij in §6 weerlegd hebben –  natuurlijk ook niet van een zichtbaar Opperhoofd wil horen en zich daarom beroept op het onzichtbare Opperhoofd, Jezus Christus in de hemel, alleen. De Protestant is er dus, om eens de woorden van mijn gesprekspartner te gebruiken, niet beter, maar veel slechter aan toe dan de Katholiek: deze bezit, behalve de onzichtbare, ook de zichtbare leiding van Jezus Christus in de persoon van diegene tot wie Hij zelf gezegd heeft: ‘Weid Mijn lammeren, weid Mijn schapen,’ terwijl de Protestant deze uitwendige leiding helemaal mist.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 10 september 2016

§10. De H. Petrus moet, als zichtbaar Opperhoofd van de Kerk, noodzakelijk tot het einde van de tijden, wettige opvolgers hebben.

Petrus, zoals we hebben gezien, moest, natuurlijk niet als gewoon mens, maar als plaatsvervanger van Christus het fundament of de grondslag zijn, waarop Christus’ Kerk zou rusten. ‘Gij zijt Petrus’, had de Verlosser tot hem gezegd, ‘en op deze steenrots zal Ik Mijn Kerk bouwen.’

Die Kerk nu, zal blijven bestaan tot het einder der eeuwen, omdat Christus haar heeft gesticht met het doel om de mensen zalig te maken en zij zal daarom bestaan, zolang er mensen zalig moeten worden, d.i. zolang er mensen op aarde leven.

Bovendien heeft de Zoon van God haar uitdrukkelijk en plechtig beloofd, dat de poorten van de hel haar nooit zullen overweldigen. Moet dus de Kerk van Christus tot het einde van de eeuwen blijven bestaan, dan moet dus ook tot het einde van de eeuwen het fundament of de grondslag blijven, waarop zij door Christus gebouwd werd; een gebouw kan toch onmogelijk langer staan dan zijn fundament, een gebouw zonder fundament stort in. Was dus Petrus, als plaatsvervanger van Christus, het fundament, waarop de Kerk van Christus zou rusten, dan moet Petrus dus ook persé blijven voortleven. Omdat Petrus sterfelijk was, net zoals wij, moest hij blijven voortleven in anderen, d.i. in zijn wettige opvolgers.

Bovendien, Christus wilde Zijn kudde niet onbeheerd achterlaten. Hij gaf haar een algemeen herder, een Opperherder, door al Zijn schapen en al Zijn lammeren, zonder uitzondering, aan de zorg en leiding van Petrus toe te vertrouwen. Zij dus, die tot die schaapstal van Christus horen, moeten altijd naar de stem luisteren en de leiding volgen van die Opperherder, hen door Christus zelf aangewezen. Maar ook hieruit volgt al vanzelf, dat met de dood van Petrus het Opperherderschap niet mocht uitsterven, maar noodzakelijk op wettige opvolgers moest overgaan. Net zoals een gebouw zonder fundament haar ondergang tegemoet gaat, is een kudde zonder herder onbestaanbaar. Omdat dat geestelijke gebouw zowel als die geestelijke kudde een menselijke maatschappij uitmaken, die zichtbaar is, moet die maatschappij ook een zichtbaar Opperhoofd bezitten en blijven bezitten zolang zij bestaat.

Vandaar dan ook, dat bij de dood van Petrus, zoals de onwraakbaarste getuigenissen van de Kerkelijke geschiedenis bewijzen, de Kerk zich verplicht voelde Petrus op de stoel van Rome, en dus in zijn waardigheid als Opperherder, onmiddellijk door een ander te vervangen. In de plaats van Petrus koos zij Linus; na zijn dood werd Cletus en vervolgens Clemens gekozen, enz. enz.; en telkens werd de nieuwgekozene, niet minder dan Petrus, als het zichtbaar hoofd der Kerk en als plaatsvervanger van Christus aangezien en eerbiedigt.

Deze handelswijze van de Kerk in de eerste eeuwen van haar bestaan, verdient daarom vooral onze aandacht, omdat de niet-Katholieken, die beweren, dat de Kerk van Christus later van het ware pad zou zijn afgeweken, toch graag toegeven, dat zij tenminste in de eerste eeuwen helemaal aan de leer en de instellingen van het Evangelie trouw is gebleven. Als dan die Kerk, die zelfs volgens het getuigenis van niet-Katholieken, toen nog de ware Kerk van Christus was, door haar daden zo duidelijk haar overtuiging uitsprak, dat het Opperherderschap van Petrus noodzakelijk in zijn opvolgers moest blijven voortbestaan dan is het ook onbetwist zeker, dat zij, toen in dat belangrijkste punt zich niet heeft bedrogen.

De ware Kerk van Christus moet daarom een zichtbaar Opperhoofd hebben, en dat Opperhoofd kan geen ander zijn dan de wettige opvolger van het eerste Opperhoofd, de H. Petrus.

maandag 5 september 2016

§8/9. Wat zijn de kentekens, waaraan men de ware Kerk van Christus met zekerheid van andere ‘kerken’ kan onderscheiden?

Vooral deze vier:
1. De ware Kerk van Christus moet één zijn, d.w.z. zij moet onder een zichtbaar Opperhoofd staan, en altijd en overal dezelfde geloofsleer belijden.
2. De ware Kerk van Christus moet heilig zijn, d.w.z. zij moet een leer, instellingen en genademiddelen bevatten, waardoor de mensen tot ware deugd en heiligheid gebracht worden, en deze heiligheid moet door wonderen zijn bezegeld.
3. De ware Kerk van Christus moet katholiek zijn, d.w.z. algemeen verspreid over de aarde.
4. De ware Kerk van Christus moet apostolisch zijn, d.w.z. zij moet door de onafgebroken en wettige opeenvolging van haar herders verbonden zijn met de eerste herders, de Apostelen van Christus.

We zullen deze vier punten in het kort uiteenzetten, en aantonen, waar die vier kentekenen van de ware Kerk van Christus alleen te vinden zijn.

TWEEDE GEDEELTE - Over de kentekenen of kenmerkende eigenschappen van de ware Kerk van Christus..

EERSTE HOOFDSTUK – De ware Kerk van Christus moet één zijn

A. De ware Kerk van Christus moet één zijn in haar Opperhoofd.

§9. Christus heeft een Kerk gesticht met een zichtbaar Opperhoofd, en dat Opperhoofd was de H. Petrus.

Al heeft Christus aan alle Apostelen zonder uitzondering de last opgedragen, Zijn leer aan alle volken te verkondigen, ze zouden toch in rang en waardigheid niet allen op dezelfde lijn staan. Met duidelijke woorden word door Christus één van hen, namelijk Petrus, tot hoofd aangesteld.

‘Gij zijt’ zo sprak de Goddelijke Verlosser tot hem: ‘Gij zijt Petrus (d. i. steenrots) en op deze steenrots zal ik Mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen’. (Matth.16, 18). Wat daarom de grondslag of het fundament is voor een gebouw, dat zou Petrus zijn voor Christus’ Kerk. Zoals een gebouw met al zijn onderdelen steunt op het fundament, waarop het verrijst en daaraan zijn kracht en stevigheid ontleent, zo zou de Kerk van Christus steunen op Petrus.

Petrus zou met het hoogste gezag zijn bekleed, zoals Christus nog duidelijker te kennen gaf door onmiddellijk op deze woorden te laten volgen: ‘En u zal ik de sleutels geven van het rijk der hemelen’ (Matth. 16. 19). De sleutels zijn toch altijd gezien als het symbool van de hoogste macht. Vandaar het oude gebruik om bijv. bij overgave van een vesting, de sleutels van de poorten aan de nieuwe beheersers te overhandigen, als teken dat het nieuwe bestuur, de macht, voortaan bij hen berust.

Christus beloofde dus, dat Hij Petrus met het bestuur van de Kerk zou belasten. Ik zeg: ‘beloofde’; want merken wij wel op, dat deze woorden van Christus tot nu toe alleen een belofte waren. Christus had gezegd: ‘Op U zal Ik Mijn Kerk bouwen; Ik zal U de sleutels van het rijk der hemelen geven.’

Pas later zou die belofte in vervulling gaan en Christus in werkelijkheid de zorg over Zijn Kerk aan Petrus toevertrouwen. Toen namelijk de dag naderde, waarop de Zaligmaker opsteeg ten hemel en dus deze wereld zou verlaten, verscheen hij op de oever van het meer van Tiberias aan zijn leerlingen, en na hen in het algemeen te hebben toegesproken, richtte Hij het woord tot Petrus alleen, noemde hem bij zijn familienaam en sprak: ‘Simon, zoon van Johannes, bemint gij Mij meer dan dezen?’ – ‘Heer’ zo klonk het antwoord, ‘Gij weet dat ik u liefheb’ Nu sprak Christus: ‘weid Mijn lammeren.’ Om echter Petrus goed te doordringen van het grote gewicht van de taak, die hem door die woorden op de schouders werd gelegd, en hem ook te overtuigen , dat om het volbrengen van die verheven taak, een ongewone en heldhaftige liefde zou worden vereist, herhaalde Christus tot drie keer toe dezelfde vraag: ‘Simon zoon van Johannes, bemint gij Mij?’ En Petrus antwoordde ook de tweede en derde keer: ‘Heer Gij weet dat ik u liefheb.’ En ook tot drie keer toe werd aan Petrus de plechtige opdracht door de Zoon van God herhaald: ‘Weid Mijn lammeren! – Weid Mijn schapen!’ (Joh.21, 16, 17).

Wie kan nu nog serieus ontkennen, dat met deze betekenisvolle woorden aan Petrus het herderschap over de kudde van Christus werd toevertrouwd, het herderschap over de hele kudde: lammeren en schapen, en daarom het Opperherderschap? Petrus m.a.w. werd door Christus zelf aangesteld tot Zijn plaatsbekleder op aarde, tot zichtbare bestuurder, tot zichtbaar Opperhoofd van de Kerk, terwijl Christus in de hemel haar onzichtbaar, goddelijk Opperhoofd zou blijven; omdat Jezus met Zijn zichtbare tegenwoordigheid de wereld ging verlaten, zou Petrus in Zijn plaats en onder Hem, de zichtbare bestuurder van de Kerk blijven: het zichtbare lichaam van de Kerk moest een zichtbaar hoofd houden.

Het is daarom duidelijk, dat Christus een Kerk heeft gesticht, aan wie Hij een Opperhoofd, en wel een zichtbaar Opperhoofd heeft geschonken; zien we nu, dat het net zo duidelijk is, dat die Kerk altijd een zichtbaar Opperhoofd moet blijven bezitten.

vrijdag 2 september 2016

§7. Is het moeilijk te weten, welke Kerk de ware Kerk van Christus is?

Wij hebben zojuist aangetoond, dat de ware Kerk van Christus zichtbaar is; maar iets wat zichtbaar is, laat zich daarom nog niet altijd makkelijk van andere soortgelijke zaken onderscheiden. Heeft men bijv. een echte diamant bij tien andere schitterende stenen voor zich, dan is die echte diamant net zo goed zichtbaar als de andere stenen, maar er wordt heel wat kennis gevraagd, om hem meteen met zekerheid aan te kunnen wijzen.

Is het nu precies zo met de ene, ware, door Christus gestichte Kerk? M.a.w. is het moeilijk na te gaan, welke Kerk, onder alle, de ware Kerk van Christus is?

Vaak treft men mensen aan die hun onverschilligheid op godsdienstig gebied proberen te verontschuldigen: ‘Och’ zeggen ze, ‘het mag waar zijn, dat de mens verplicht is, zich aan de ware Kerk van Christus te onderwerpen, daarmee komen we toch niet verder; want er zijn tegenwoordig zoveel kerken en godsdiensten, en wij kunnen immers toch niet bepalen, welke van die kerken de ware Kerk van Christus is’.

Zou dat waar zijn? Dan zou Christus inderdaad onredelijk hebben gehandeld. Immers Christus heeft Zijn Kerk gesticht om aan alle mensen de weg naar de hemel te wijzen. Christus eist, zoals wij al hebben gezien, dat alle mensen, geleerden en onwetenden, rijken en armen, luisteren naar de stem van Zijn Kerk, dat iedereen haar leer gelooft en eerbiedigt als Zijn leer. Maar hoe kan Christus dat eisen, als hij ook niet zou zorgen dat Zijn ware Kerk door iedereen fatsoenlijk van elke andere kan worden onderscheiden? Dan zou Christus ons een verplichting opleggen, waaraan wij onmogelijk kunnen voldoen. Hij zou eisen, dat we ons onderwierpen aan het leergezag van Zijn Kerk, zonder dat we in staat waren te weten, welke Zijn Kerk is. Mag men er nu van uitgaan, dat Christus zich aan zo’n onredelijkheid schuldig zou hebben gemaakt? Als dus Christus alle mensen in geweten de verplichting oplegt te gehoorzamen aan de stem van Zijn Kerk, dan moet die Kerk natuurlijk ook kenmerkende eigenschappen of kentekenen bezitten, waaraan zijn door alle mensen van goede wil makkelijk en zeker van elke andere kan worden onderscheiden. Zij moet gemakkelijk te herkennen zijn. Was dit ook niet duidelijk Christus’ bedoeling, toen Hij Zijn Kerk vergeleek met een stad, die op een berg gebouwd, niet verborgen kon blijven; met een licht, dat op een kandelaar geplaatst, om ieder te verlichten en dus door iedereen gemakkelijk gezien en onderscheiden kan worden? (Matth.5, 14, 15).

Welnu, waaraan kan men dan de ware Kerk van Christus herkennen?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

maandag 29 augustus 2016

§6. Is de ware Kerk van Christus zichtbaar?

Aanleiding tot deze vraag gaf mij de volgende ontmoeting.

Op een dag moest ik naar de stad B…. Reeds had ik in een coupé 2e klas rustig plaats genomen en was het signaal voor het vertrek gegeven, toen door een van de conducteurs mij nog een zwaarlijvig reisgenoot in aller haast werd toegeduwd. De man ging recht tegenover mij zitten, en, na beide punten van zijn indrukwekkende snor zo ver mogelijk uit elkaar gedraaid te hebben, nam hij mijn persoon tot twee-driemaal van top tot teen op, met een blik, die scheen te betekenen, dat het niet zijn schuld was, van zo dichtbij met een R.K geestelijke in aanraking te komen. Nu, ik kon er waarschijnlijk ook niets aan doen, en probeerde, zoals weinig reizigers gewend zijn, door een onschuldig praatje over het mooie weer mijn norse overbuurman wat vriendelijker te stemmen. Dit lukte tamelijk goed, en we waren al gemoedelijk aan het praten, toen we een plaatsje voorbij stoomden, waar dichtbij het station een soort triomfboog omhoog rees. ‘Hé!’ riep mijn reisgezel verwonderd uit, ‘wat moet dat betekenen?’ – ‘Och’ hernam ik ‘ik meen gehoord te hebben, dat de bisschop dezer dagen aan dat dorp een bezoek heeft gebracht. Wat daar staat, zal waarschijnlijk het overblijfsel van een ereboog zijn’. Deze onschuldige opheldering trof echter een gevoelige plek. Mijn reisgezel begon hevig uit te varen tegen die dwaze paapse afgoderij, die bijgelovigheden en uiterlijkheden van de Roomsen. ‘Van al die rommel’, zo besloot hij ‘ben ik niet gediend. Meen daarom niet dat ik ongelovig ben. Ik ben Christen, zo goed als iemand. Ik dien de Heer Christus in mijn hart, erken Hem als de Verlosser, en probeer volgens de geest van het Evangelie te leven. Daarom juist gruw ik van al die roomse uiterlijkheden en vertoningen’.

Ik liet de brave man op zijn gemak uitpraten, maar vroeg toen, of de Roomse Kerk vóór het ontstaan van het Protestantisme, zich ook al aan zovele dwaasheden schuldig maakte? ‘Wel zeker’, luidde het antwoord, ‘dat weet u net zo goed als ik; ’t was toen nog wel zo erg als tegenwoordig’. – ‘Goed’ hernam ik, ‘maar waar moet dan destijds de ware Kerk van Christus wel geweest zijn? Of bestond ze in die dagen niet meer?’ – ‘Zeker bestond ze, net zoals ze nu nog bestaat; maar onder de ware Kerk versta ik niets anders dan de vereniging van al diegenen, die het ware geloof aan de Heer Jezus Christus in hun hart bezitten, en dat geloof is iets geheel inwendigs, wat niet door u, noch door mij, noch door iemand, tenzij door God alleen kan worden gezien. De Ware Kerk van Christus is onzichtbaar en het is een dwaasheid te vragen, waar en bij wie ze juist te vinden is’.

De man blies hierop triomfantelijk een dikke rookwolk door de coupé, en zag mij aan als wilde hij vragen, wat er op zulke redenering wel kon worden tegengesproken. En toch, lezer, daar viel ontzaglijk veel op tegen te spreken.

Want vooreerst: De H. Paulus of liever de H. Geest zelf heeft een andere mening. Immers, nadat de Apostel tot de Romeinen gezegd heeft: ‘want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging,’ voegt hij er gelijk aan toe: ‘en men belijdt met de mond ter redding.’ (Rom. 10,10); met andere woorden, men moet uitwendig belijden, wat men inwendig gelooft. En dat deed mijn reismakker immers zelf? Hij zelf toch voelde er behoefte aan uitwendig te kennen te geven, wat hij inwendig geloofde. Bovendien als het geloof inwendig en het hart bewaard moet blijven en zich uitwendig niet hoeft te tonen, vraag ik u: Hoe zal men dan de rechtgelovigen van de niet-rechtgelovigen kunnen onderscheiden? Hoe zullen zij hun herders of overheden kennen? Hoe zullen zij in geloofs- of godsdienstzaken met elkander in overleg of gemeenschap kunnen treden?

Maar gaan we verder. Christus heeft o.a. verschillende sacramenten ingesteld. Hoeveel. Laten we voor nu achterwege; maar laten we aannemen, zeven. Dit moet een waar dienaar van Christus dus vooreerst vast geloven. Maar die Sacramenten zijn niet ingesteld voor Christus om alleen geloofd, maar voor alles om toegediend en ontvangen te worden. Al gelooft men inwendig onwrikbaar vast, dat er een Doopsel bestaat, door Christus ingesteld, als u dat Doopsel niet hebt noch wilt ontvangen, zal u dat inwendig geloof alleen bitter weinig baten om zalig te worden: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.’ (Marc. 16, 16).

Nog meer: nadat Christus (zoals we later zullen bespreken) tot Petrus gezegd had: ‘Hoed mijn lammeren, hoed mijn schapen,’ moest Petrus zeker vast geloven, dat de zorg over heel de kudde aan hem was toevertrouwd, dat hij dus als de plaatsvervanger van Christus op aarde, als het zichtbaar Opperhoofd van Christus’ Kerk was aangesteld. Dat geloof was weer geheel en al inwendig; maar moest het zich ook niet uitwendig tonen? Moest Petrus soms inwendig de lammeren en de schapen van Christus hoeden? Of moest hij, moesten de overige Apostelen en herders van Jezus de gekruiste niet prediken, de Sacramenten toedienen, opvolgers aanstellen, zich openlijk tonen en belijden als volgelingen van de Godmens? Maar zijn dit dan niet allemaal, hoezeer door het inwendige bezield, toch uiterlijke handelingen? Kon en moest dat niet uitwendig worden waargenomen? En zouden de gewone gelovigen, als ware leerlingen van Christus, kunnen volstaan met alleen inwendig te geloven dat Christus de H. Petrus en zijn wettige opvolgers met het bestuur van Zijn Kerk heeft belast? Wel nee; van dit inwendig geloof moeten zij uitwendig blijk geven door hun bereidvaardige onderwerping en gehoorzaamheid, door te leven volgens de wetten, hen door Petrus en zijn opvolgers opgelegd. Men kan de Kerk van Christus dus niet onzichtbaar noemen, omdat het geloof, op zichzelf genomen, iets inwendigs en dus onzichtbaar is.

Evenmin kan men zich hier beroepen op de woorden van Christus, dat ‘de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid.’ (Joh. 4, 23). Immers:

1. Bij enig nadenken zal iedereen begrijpen dat het de bedoeling van Christus volstrekt niet was door onze woorden alle uitwendige verering geheel uit te sluiten. Verbeeld u, lezer, dat u eerbiedig geknield, met neergeslagen ogen en gevouwen handen, vroom het ‘Onze Vader’ bidt, zou ik u dan om die uitwendige vroomheid, die u daar aan de dag legt, mogen verwijten, dat u de Heer niet in geest en waarheid aanbidt? Ik geloof dat u heel vreemd zou opkijken van ene dergelijk verwijt. Terecht zou u mij verwijzen naar het voorbeeld van Christus zelf, die, gelijk het Evangelie uitdrukkelijk vermeldt, de knieën boog, toen Hij in de Hof van Olijven tot Zijn Hemelse Vader bad. ( Luc. 22, 41) We zullen dus wel volkomen aan het verlangen van Christus voldoen, mits we zorg dragen dat onze vroomheid niet alleen uitwendig is, maar ook inwendig oprecht is gemeend, uit ons hart voortkomt en door onze geest bezield. Doch

2. Al moeten wij de Heer in geest en waarheid aanbidden, hebben wij daarom geen andere plichten te vervullen? Zeker wel, niet waar? Immers willen wij ware volgelingen van Christus zijn, dan zullen we – zoals net al is aangetoond, toch ook Zijne heilige leer niet alleen inwendig moeten geloven, maar ook uitwendig moeten belijden; dan zullen we het wettig gezag van de Kerk, tot wie Christus heeft gezegd: ‘Die U hoort, hoort Mij; die U versmaadt, versmaadt Mij’ (Luc. 10,16), niet alleen inwendig moeten eerbiedigen, maar die eerbied ook uitwendig door daden van onderwerping moeten tonen; dan zullen we ook gebruik moeten maken van de heiligingsmiddelen of H. H. Sacramenten, welke Christus aan Zijn Kerk heeft achtergelaten. Al is dan ons geloof en onze inwendige godsvrucht onzichtbaar, die verschillende handelingen van geloof en godsvrucht, waartoe wij door de wil van Christus verplicht zijn, zijn noodzakelijk uitwendig en zichtbaar voor iedereen.
Kortom, indien Christus Zijn Kerk gesticht heeft om ons onder haar leiding God te leren dienen, gelijk God door ons gediend wil zijn, en indien de mens God niet alleen inwendig moet dienen, met de geest, zoals de engelen, die zuivere geesten zijn, maar met ziel en lichaam, omdat hij mens is, en God dus ook moet ‘verheerlijken in zijn lichaam’ (1 Kor. 6, 19-20), dan volgt daaruit noodzakelijk, dat die Kerk of godsdienst niet alleen inwendig, maar ook uitwendig of zichtbaar moet zijn. Bovendien kan men onmogelijk ontkennen, dat de Kerk, zoals zij door Christus werd gesticht, alle vereisten heeft van een goed geregelde maatschappij, dat wil zeggen: een vereniging, wiens leden, door een onderlinge band verbonden, gemeenschappelijk samenwerken tot een zelfde doel. Christus immers wilde niet, dat zijn volgelingen zijn heilige leer alleen maar inwendig zouden geloven en voor de rest, geheel en al onafhankelijk van elkaar, ieder zijn eigen weg zou gaan; nee, Hij wilde, dat zij door een onderlinge band verenigd zouden blijven, dat er onder hen orde en ondergeschiktheid zou bestaan en de ene door de andere zou worden gesteund en geholpen. Christus stelde toch (zoals we later zullen zien) al zijn volgelingen, geheel zijn kudde, onder de leiding van een wettig gezag, toen Hij tot Petrus sprak: ‘Weid Mijn lammeren, weid Mijn schapen’ (Joh 21, 15,17). Er zouden dus in de Kerk wettige overheden zijn, met de bevoegdheid om te gebieden, en dus ook onderdanen met de verplichting om te gehoorzamen. Sommigen zouden belast worden met de prediking van Gods woord, anderen de verplichting hebben dat gepreekte woord met een leerzaam hart aan te horen (Ef. 4, 11). Sommigen zouden uitdelers zijn van de door Christus ingestelde heiligingsmiddelen of Sacramenten, anderen zouden die Sacramenten uit hun handen ontvangen (1 Kor. 4, 1).

U ziet dus, dat, volgens de wil van Christus, de kinderen van Zijn Kerk niet alleen streven naar hetzelfde doel, maar dat er tussen hen ook een onderlinge band bestaat, die hen allen tot één lichaam, tot één geheel, verenigt, en dat zij, net zoals de verschillende ledematen van een lichaam, ook onderling samenwerken om hun gemeenschappelijk doel te bereiken. Maar dan moet men toch toegeven, dat de Kerk, zoals zij door Christus gesticht werd, wel degelijk een goed geregelde maatschappij vormt, en dus net zoals elke andere goed geregelde maatschappij of vereniging, uit de aard van de zaak zichtbaar moet zijn.

En wat kwam er van terecht, als het anders was? Verbeeld u eens, dat de ware godsdienst uitsluitend en geheel in ieders hart besloten en verborgen moest blijven, en dat de Kerk van Christus dus onzichtbaar zou zijn, dan zouden de herders van die Kerk de verplichting hebben om de kinderen van de Kerk in Jezus’ leer te onderrichten, hen aan de genademiddelen door Christus ingesteld, deelachtig te maken, hen te vermanen, te berispen, en hen, als ze halsstarrig zijn, zelfs buiten de gemeenschap der Kerk te sluiten (Matth. 18, 17) en zij zouden niet eens kunnen onderscheiden, wie wel en wie niet tot die Kerk horen! Mag men serieus beweren, dat Christus, de oneindige Wijsheid zelf, zo’n onmogelijke Kerk gesticht zou hebben?

Ik zou trouwens wel eens willen weten, hoe Christus Zijn Kerk heeft kunnen vergelijken met een stad op de berg, met een licht op de kandelaar, - hoe Christus iedereen de verplichting heeft kunnen opleggen, om naar de stem van Zijn Kerk te luisteren, als die Kerk niet zichtbaar en uitwendig kenbaar zou zijn.

Dit neemt echter niet weg, dat de Kerk van Christus ook onzichtbaar kan en moet genoemd worden in zeker opzicht. Daarover willen wij hier alleen zeggen, dat er immers mensen kunnen zijn, en zeker weten zijn er veel, die uit onschuldige onwetendheid van de ware leer van Christus afwijken, het wettig door Christus aangewezen gezag niet kennen en daaraan dus ook niet gehoorzamen, verscheidene van de door Christus ingestelde Sacramenten nooit ontvangen. Welnu, wanneer deze mensen, zoals we veronderstellen, geheel te goeder trouw dwalen en daarbij God met een oprecht hart dienen, zijn zij zonder twijfel Gods vrienden, en ook werkelijk kinderen van Jezus’ Kerk. Maar, omdat men zulke mensen door geen enkel uitwendig teken als ledematen van de ware Kerk kan onderscheiden; omdat zij ook uitwendig natuurlijk niet volbrengen, wat een gewoon kind van de Kerk volbrengen moet, daarom zijn wij, Katholieken, gewend te zeggen, dat zij niet tot het lichaam, maar tot de ziel van de Kerk horen, d.w.z. niet tot de Kerk in zover deze voor ons zichtbaar is, maar in zover zij gezegd kan worden te bestaan uit allen, die God dienen naar de mate van het hen geschonken licht.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 28 augustus 2016

§5. Mag men nog van godsdienst veranderen, als men onder eed heeft gezworen in zijn godsdienst te zullen volharden?

Het antwoord op deze vraag denk ik het best duidelijk te maken met het volgende voorbeeld.

Iemand, die door een ziekte nooit de kerk kan bezoeken, heeft een boek aangeschaft, waarvan hij denkt dat het heel godsvruchtig is, en aan God onder eed beloofd, dat hij voor zijn geestelijk welzijn, daaruit elke zondag een hoofdstuk zal lezen. Natuurlijk moet hij die belofte nakomen. Maar wat gebeurt er? Nadat hij enkele stichtende hoofdstukken heeft gelezen, komt hij hier en daar uitspraken en beweringen tegen, die absoluut in strijd zijn met de waarheid. Een beetje ongerust geworden, onderzoekt hij verder en komt er achter, dat er ook op godsdienstig gebied beginselen in voorkomen, die niet te verdedigen zijn. Hij komt dus tot het besluit, dat, tegen zijn verwachting, de inhoud en strekking van dat boek, absoluut niet deugen. Wat nu? Moet hij zich nu toch aan zijn gezworen belofte houden? Moet hij als gezond voedsel blijven gebruiken, waarvan hij ontdekt heeft dat het gif is? Nee, dat begrijpt zelfs een kind.

Welnu, zo is het precies met iemand, die onder eed beloofd heeft te zullen volharden in een godsdienst, die hij, weliswaar ten onrechte, maar toch te goeder trouw, als de ware godsdienst aanzag. Zolang hij helemaal te goeder trouw in die vaste overtuiging blijft, moet hij zijn belofte natuurlijk nakomen, en mag hij dus niet veranderen, want dit zou in strijd zijn met zijn geweten. Maar ziet hij later gegronde redenen om aan de waarheid van zijn godsdienst te twijfelen, dan is hij, omdat het hier gaat om een zaak van hoogste belang, verplicht te onderzoeken, in zoverre hij daartoe in staat is, en zeer zeker is hij ook verplicht voor dat belangrijk onderzoek de hulp en de verlichting van God af te smeken.

Wordt het hem nu duidelijk, dat hij zich vergist heeft, en dat de godsdienst die hij voor de ware hield, toch werkelijk de ware godsdienst niet is, dan mag hij niet alleen, maar dan moet hij veranderen. Hij heeft weliswaar gezworen in die godsdienst te zullen volharden, maar u begrijpt, nu hij duidelijk inziet, dat wat hij beloofd heeft, God niet behaagt, hij die eed niet langer mag houden. Men kan namelijk door niets ter wereld, ook niet door een eed, in geweten verplicht zijn, iets te doen waarvan men weet dat het in strijd is met Gods heilige wil.

vrijdag 26 augustus 2016

§4. Maar is het niet schandalig en laf van godsdienst te veranderen?

Dat ligt er aan. We hebben namelijk net gezien, dat alle mensen naar geweten verplicht zijn, zich te onderwerpen aan die Kerk, die door Christus werd gesticht, en dus ook die geloofsleer te geloven en te belijden, die door die Kerk wordt voorgehouden. Leeft men dus in de ware, door Christus gestichte Kerk, dan zou het zeker een zware zonde zijn van godsdienst te veranderen; maar is de Kerk, waar men bij hoort, niet de ware Kerk van Christus, dan mag men daar niet in blijven, dan moet men van godsdienst veranderen.

Veronderstellen we eerst eens, dat het Protestantisme de ware godsdienst is. Dan hebben zij, die 400 jaar geleden de Katholieke Kerk vaarwel zeiden en zich bij de leer van Luther aansloten, niet alleen groot gelijk gehad, maar dan was het eenvoudig hun plicht, dan moesten zij dit doen, en zijn alle Katholieken, ook nu nog, naar geweten verplicht dat voorbeeld te volgen.
Stelt u eens voor: de protestantse godsdienst leert, dat het in strijd is met Gods eer, dat het een soort afgoderij is, de Heiligen te vereren en aan te roepen; nu doe ik dat als Katholiek toch, met nog allerlei andere dingen, die door de protestantse leer als dwaas en zondig worden veroordeeld, zou ik nu met al die fouten en dwaasheden mogen doorgaan, als het Protestantisme de waarheid bezit? Nee! Dan ben ik naar geweten verplicht, daar een eind aan te maken en protestant te worden.

Maar laten we nu het omgekeerde veronderstellen, dat de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is: mag dan een Protestant of welke andere niet-Katholiek, maar rustig blijven wat hij nu eenmaal is? Natuurlijk niet. De Katholieke Kerk leert bijv. dat Petrus, de plaatsvervanger van Christus en het zichtbaar opperhoofd van Jezus' Kerk is; dat dus alle kinderen van die Kerk eerbied en gehoorzaamheid aan de Paus verschuldigd zijn. Zij leert dat in het H. Sacrament van het Altaar, onder de uitwendige gedaante van brood en wijn, Christus zelf werkelijk tegenwoordig is, met zijn Godheid en mensheid. En dat dus daarom aan dat H. Sacrament goddelijke eer bewezen hoort te worden. Zij leert, dat er in het andere leven, behalve de hel en de hemel, nog een derde plaats is, die zij Zuiveringsplaats of Vagevuur noemt, waar de zielen van hen, die niet schuldig genoeg zijn voor de hel en niet onschuldig genoeg voor de hemel, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen en dat het goed en heilzaam is voor die zielen te bidden. De Protestant gelooft hier allemaal niets van, spot er zelfs mee; maar mag hij dat doen en blijven doen, als de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is? Nee, absoluut niet.

Daarom is iedereen verplicht de ware godsdienst te belijden, en dus als hij die niet bezit, van godsdienst te veranderen, om de ware te omhelzen. Niet veranderen zou in dit geval zeker een zware zonde zijn, die alleen niet toegerekend zou worden, als zij onvrijwillig is, met ander woorden, wanneer men blijft wat men is, omdat men, hoewel niet terecht, maar toch zonder oneerlijke bedoelingen, denkt in de ware godsdienst te leven.

Hier nog een paar voorbeelden ter verduidelijking. Het is een zware zonde, een grote som geld te houden, die van iemand anders is; En toch kan het zijn, dat ik hierdoor niet schuldig ben in Gods ogen; wanneer ik namelijk zonder oneerlijke bedoelingen denk, dat dit geld van mij is. Het uitspreken van een godslastering is op zich zelf een zware zonde; denkt iemand echt, dat wat hij zegt, geen godslastering maar bijv. een schietgebed is, dan zou hij door die woorden uit te spreken, zijn geweten niet bezwaren, maar zelfs verdienstelijk kunnen handelen.

Maar zoals het in deze gevallen zo is, dat alleen de eerlijke bedoelingen ervoor zorgen dat, hetgeen in zichzelf groot kwaad is, iemand niet als groot kwaad word aangerekend, zo is het ook wat de godsdienst betreft. Als dus die eerlijke bedoelingen ophouden, als wij inzien, dat wij inderdaad niet in de ware Kerk van Christus leven, dan is het een zware plicht voor ons om van godsdienst te veranderen, en absoluut niet schandalig en laf, maar een eervolle en moedige daad, waar God ons voor zal belonen en elk redelijk denkend mens ons om zal prijzen. In vrijwillige dwaling volharden, dat is schandalig, de erkende waarheid niet durven belijden, dat is laf. Een geloofsleer blijven aanhangen, terwijl men inziet, dat die leer niet de leer is, die Christus zijn Kerk heeft toevertrouwd te verkondigen, dat is in strijd met het geweten, dat is zonde, dat is zich voor Christus schamen bij de mensen. En u weet dat Jezus, volgens zijn eigen woord, met ons zal handelen bij zijn hemelse Vader, zoals wij met Hem gehandeld hebben bij de mensen. De H. Augustinus zegt: dwalen is menselijk, in de dwaling volharden is duivels.

Hieruit, lezer, zult u begrepen hebben, hoe onnozel het praatje is, dan men vaak hoort: “och, ieder in het zijne”. “ieder moet maar blijven wat hij is.” Nee, men moet alleen blijven wat men is, als wat men is, goed is. Of moet een zieke maar ziek, een hongerige maar hongerig, een drenkeling maar in het water, een verdwaalde, en dit is geen vergelijking meer, maar ons geval zelf, maar op de verkeerde weg blijven? Dat gaat tegen het gezond verstand in. Anders zou men ook moeten beweren, dat onze voorouders beter heidenen konden blijven, en de zendelingen dwazen zijn, om met levensgevaar in onbekende streken een andere godsdienst aan de ongelovigen te gaan verkondigen.