zondag 17 september 2017

§ 53. Maar de Katholieken maken beelden om de Heiligen te vereren. Is dat niet een soort afgoderij, en in strijd met het eerste gebod, waarin het maken van beelden wordt verboden.

Toen God op de berg Sinaï voor het Joodse volk Zijn tien geboden afkondigde, zei Hij dan wel: ‘Gij zult geen gesneden beeld of voorstelling maken; gij zult die niet aanbidden of eer bewijzen’, (ex.20, 4) . maar wat werd er met deze woorden bedoeld? Wilde God daarmee duidelijk maken dat het maken van beelden altijd ongeoorloofd was? Nee, God gaf namelijk zelf aan de Joden het bevel, twee gouden Cherubijnen te maken en die op de Ark van het Verbond te plaatsen.

Wat bedoelde God dan met het verbod om beelden te maken? God wilde de Joden weerhouden van afgoderij. De Joden keerden in die dagen juist terug uit de slavernij van Egypte. Daar hadden ze gezien hoe de Egyptenaren allerlei beelden als afgoden vereerden; zij leefden bovendien tussen heidenen die afgoden aanbaden; en omdat de Joden snel geneigd waren om verkeerde gewoonten van de heidenen over te nemen, (waarvan het gouden kalf een bewijs is) werd hen op het hart gedrukt, dat zij geen beelden zouden maken, om die, zoals de heidenen dat deden, als afgoden te aanbidden. Dat God dit hiermee bedoelde toen Hij zei: ‘Gij zult geen gesneden beeld of voorstelling maken’, blijkt ook uit de woorden die hieraan vooraf gaan: ‘Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben’ en daarna: ‘Gij zult die niet aanbidden noch dienen; want Ik ben de Heer uw God, de Sterke, de IJveraar,’ d.i. die geen andere God naast zich duldt. Door deze woorden liet God duidelijk blijken dat men geen afgodsbeelden mocht maken. (d.i. beelden maken met het doel, ze als afgoden te vereren; wat de heidenen deden) Iedereen weet heel goed dat de Katholieken zo iets absoluut niet doen.

Zij maken wel beelden, maar niet zoals de heidenen, om een bepaalde afgod te vereren, maar om de ware God te eren en voor de verheerlijking van Zijn Heiligen.

En dan nog te bedenken dat de andersdenkenden beweren dat de Katholieke Kerk pas later in de tijd van de ware weg is afgeweken. Dan moeten dus in de eerste eeuwen haar leer en haar gebruiken nog goed en heilig zijn geweest en zeker niet in strijd met Gods geboden. Welnu, het gebruik om Christus en de Heiligen in beelden voor te stellen, bestond in de Katholieke Kerk al in de eerste eeuwen, net zoals nu. De catacomben van Rome zijn daar een bewijs van. Als dat gebruik toen niet in strijd was met Gods geboden, waarom dan nu wel?

Nog een opmerking: Diegenen die het maken van beelden veroordelen, beroepen zich op de woorden van het eerste gebod: ‘Gij zult geen gesneden beeld maken’. Maar als de woorden zo letterlijk moeten worden genomen, dat daar niet alleen afgodsbeelden, maar ook alle andere beelden, mee worden verboden, dan moet men toch ook die beelden afkeuren die
worden opgericht ter ere van koningen, helden, wijsgeren, dichters enz.

Zo zien we bijv. in Den Haag het standbeeld van Spinoza, die vanwege zij ongeloof en goddeloze geschriften weinig aanspraak kan maken op eerbied en bewondering van het nageslacht. Tegen zo’n beeld heeft niemand een bezwaar, en dan denkt men God te beledigen door beelden op te richten, ter ere van diegenen die werkelijk groot zijn in Gods ogen, zoals bijv. Jezus’ moeder of van Zijn Heiligen in de hemel.

Soms zegt men ook wel: Ja, maar de Katholieken maken niet alleen beelden, maar zij vereren die beelden ook door ze met licht en bloemen te versieren.

Zeker, en waarom niet?

Zien wij op de verjaardag van de Koning/Koningin ook niet op veel plaatsen zijn/haar portret of borstbeeld met licht en bloemen en andere blijken van eer versierd? Vindt u dat zo onzinnig en dwaas? Wordt u hierdoor geërgerd? Ik denk het niet. Want iedereen begrijpt heel goed dat men die eer niet bewijst aan dat papieren portret of dat houten of stenen borstbeeld, maar aan de Koning/Koningin zelf, die hiermee wordt voorgesteld. Zo’n verering of huldebetoon vinden we allemaal helemaal gepast; maar als de Katholieken de beelden versieren niet alleen van onze eerwaarde Vorst/Vorstin, maar ook van Gods Heiligen, is het dan niet onredelijk hen dit te verwijten?

Het klopt dat de Katholieken hierin verder gaan. Men ziet ze soms knielend voor een beeld bidden. Maar u begrijpt toch wel dat zij dit niet doen uit eerbied voor hout of steen, of om iets van het beeld te verkrijgen, maar om hen te eren, of als voorsprekers in te roepen, aan wiens deugd en heiligheid dat beeld ons herinnert.


zaterdag 9 september 2017

§ 52. Is het aanroepen van Heiligen niet in strijd met de goddelijke Openbaring, die leert dat er tussen God en de mensen maar één Middelaar is, Jezus Christus?

Ik weet dat dit bezwaar vaak wordt opgeworpen tegen de Katholieke Kerk, en toch lezer, als we elkaar goed begrijpen, zult u al snel inzien, dat het niets te betekenen heeft.

Het is absoluut waar dat onze Heer Jezus Christus de enige Middelaar is, die door Zijn lijden en dood voor de zonden van de hele mensheid heeft betaald, en voor alle mensen van goede wil opnieuw de hemel heeft geopend.

Hij, de mens geworden God, is de enige Middelaar, zonder wiens verdiensten niemand zalig wordt en niemand iets goeds of nuttigs voor zijn zaligheid kan doen; want daarvoor wordt de hulp van de goddelijke genade vereist, dat niets anders is dan de vrucht van Christus’ verdiensten.

Zo leren de Protestanten, nietwaar? Maar zo leren de Katholieken ook, en tot hier toe zijn wij het dus helemaal met elkaar eens. Maar volgt daaruit dan dat het voor anderen onmogelijk is, hier iets aan bij te dragen, en op hun manier ons te steunen en te helpen bij het bewerken van onze zaligheid? We lezen dat de vrome moeder van Augustinus, de H. Monica, jarenlang heeft gebeden voor de bekering van haar afgedwaalde zoon en dat Augustinus zelf, de genade van zij bekering dankbaar toeschrijft aan het volhardend gebed van zijn vrome moeder. Moeten wij dat eenvoudige en zo makkelijk verklaarbare feit nu als een hersenschim verwerpen, alsof het onmogelijk zou zijn, omdat Christus de enige Middelaar is en niemand zijn zaligheid kan bewerken zonder Zijn verdiensten? Maar men zou toch denken dat als Christus zelf over Zijn eigen verdiensten beschikt, dan kan Hij zich ook door het gebed van een trouwe dienaar of dienares laten bewegen om zijn genaden (de vrucht van Zijn verdiensten) aan iedereen te schenken, zoveel Hij wil. Dat dit kan gebeuren, en ook echt gebeurt, daar zijn we allemaal van overtuigd. En omdat we daarvan overtuigd zijn, bidden we voor elkaar en stellen we het op prijs als anderen voor ons bidden.

De leer van de Katholieke Kerk komt dus eenvoudig hier op neer: de Heiligen in de hemel, en zelfs de rechtvaardigen hier op aarde, oftewel de vrienden van God, kunnen door hun tussenkomst (d.i. hun gebed) Gods genaden en zegeningen over ons afsmeken, en als zij dat doen, dan treden zij dus op als onze beschermers en voorsprekers. In zover kunnen we hen dus tussenpersoon of middelaars noemen tussen ons en Christus, wiens goedheid en barmhartigheid zij voor ons inroepen. Maar middelaar in die zin waarin wij Christus onze Middelaar noemen, zijn zij volgens de Katholieke leer absoluut niet, omdat zij niet zoals Christus de macht hebben om uit zich zelf iets te geven, maar alleen kunnen vragen; en ook omdat alle bovennatuurlijke gaven, die zij door hun gebed voor ons verkrijgen, ons alleen door de verdiensten van Christus worden geschonken.

De leer van de Katholieke Kerk over het aanroepen van Heiligen doet dus zeker geen afbreuk aan de waardigheid of de verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus. Wij geloven namelijk dat de Heiligen door hun voorspraak veel van God kunnen verkrijgen vanwege hun deugdzaamheid en hun heiligheid, waardoor zij de bijzondere vrienden van God zijn geworden; maar die uitmuntende deugdzaamheid en heiligheid hebben zij op de eerste plaatst te danken aan de oneindige verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus. Zonder Zijn genade kunnen wij, net zo goed als zij, niets doen voor onze zaligheid. En als God zo goed is om het gebed van Zijn Heiligen in ons voordeel te verhoren, dan zijn het niet die Heiligen, maar dan is het Christus zelf die, om hun gebed, guller wil geven uit de onuitputtelijke schat van Zijn verdiensten. Hoe kan men dan beweren dat daardoor de verdiensten van de éne Middelaar, Jezus Christus, zouden worden verminderd? Zouden we niet eerder mogen zeggen dat juist door die leer de oneindige verdiensten en de grootheid van die Middelaar juist meer worden belicht?

Deze moeilijkheid is eigenlijk te klein om er nog langer bij stil te staan, maar u zou eens de kerkgeschiedenis moeten lezen. U zult er achter komen dat al in de allereerste eeuwen van de Kerk, net zozeer de voorspraak van de Heiligen werd ingeroepen als nu. Maar zou de Kerk dan al vanaf het begin op het dwaalspoor zijn geweest? Dan zouden we moeten zeggen dat Christus weinig eer van zijn werk heeft gehad.



zondag 6 augustus 2017

§ 51. Maar de Katholieken eren niet alleen de Heiligen, zij nemen ook tot hen hun toevlucht en roepen hen aan....

...op deze manier schijnen zij dus aan de Heiligen een goddelijke macht toe te schrijven. 


Toch is dit niet het geval, lezer. Dat ‘dus’ gaat hier absoluut niet op. Het klopt, dat de Katholieken de Heiligen aanroepen en tot hen hun toevlucht nemen; maar om aan de Heiligen een goddelijke macht toe te kennen, heeft een Katholiek nog nooit serieus over gedacht. De Katholieke Kerk leert, dat de Heiligen, hoe verheven ze ook zijn, toch schepselen zijn (en altijd zullen blijven) net zoals wij. Zonder God beschikken zij dus nergens over en zij kunnen daarom uit zichzelf ons niets geven. Maar wat zij wel kunnen doen: datgene wat zij aan ons willen geven, door hun gebed/voorspraak, voor ons van God vragen. Nu, zoals men in de wereld, wanneer men iets van de koning wil krijgen ,de hulp of tussenkomst inroept van diegenen die om hun verdiensten of betrekking hoog in aanzien zijn bij de koning, zo roepen de Katholieken om iets van God te krijgen, ook de tussenkomst en voorspraak in van diegenen die om hun deugden en verdiensten in aanzien staan bij de Koning van de hemel. Vindt u dat nou onredelijk?

Zelf bidden wij hier ook al voor elkaar, en alhoewel we geen Heiligen zijn, geloven we toch dat we door een nederig gebed, ook over anderen Gods zegen kunnen afsmeken. Daarom bidden brave ouders voor hun kinderen en andersom. En als wij in onze familie- of vriendenkring iemand hebben die buitengewoon deugdzaam is, dan stellen we het op prijs als hij/zij voor ons bidt; want wij geloven dat zo’n bijzondere vriend van God door zijn/haar gebed veel voor ons kan verkrijgen. Dit is met alle recht, want de H. Schrift verzekert ons dat ‘het krachtig gebed van een rechtvaardige, vermag veel’ (Jak. 5, 16). Als we nu verstandig handelen wanneer we ons in gebed aanbevelen bij diegenen die vanwege hun uitmuntende deugdzaamheid door God worden bemind (ondanks dat ze tegelijkertijd nog heel goed hun fouten en zwakheden kunnen hebben), wat kan er dan op tegen zijn, dat we ons in gebed aanbevelen bij diegenen die door hun deugd en trouw al in de hemel door God worden beloond? (en dus niet onderworpen zijn aan menselijke fouten en zwakheden en nooit meer God zullen/kunnen beledigen en dus voor eeuwig Gods bijzondere vrienden zullen blijven) Het klopt dat de Heiligen in de hemel niets meer kunnen verdienen voor zichzelf, want bij de dood houdt deze tijd op, maar dat neemt niet weg dat zij niet kunnen bidden voor anderen, wiens geluk zij heel belangrijk vinden. Zou bijv. een brave moeder als zij in de hemel is haar kinderen moeten vergeten, terwijl zij tijdens haar leven op aarde elke dag vurig bad voor het geluk van haar kinderen? Of denkt u dat het zo’n moeder koud zou laten als zij ziet dat haar achtergebleven kinderen haar gebed en tussenkomst bij God dringend afsmeken?

U zult zich wellicht afvragen hoe de Heiligen in de hemel kunnen weten, of wij hun tussenkomst inroepen? Ik denk dat die vraag het beste beantwoord kan worden met de tegenvraag: Gelooft u dat God alwetend en almachtig is? Dan gelooft u toch ook vast dat God duizenden middelen heeft om Zijn Heiligen te laten weten, wat wij van hen vragen.

Dat er tussen ons en de hemelingen gemeenschap is, blijkt ook duidelijk uit deze woorden van Christus: ‘Ik zeg u, er is vreugde bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.’ En: ‘Er zal meer vreugde zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.’(Luc. 15, 10, 7)

In de volgende paragraaf vinden een ander bezwaar.


vrijdag 4 augustus 2017

Hoe katholiek zijn gereformeerde christenen?

In het Reformatorisch Dagblad staat een heel boeiend interview met Prof. dr. W. van Vlastuin van de Hersteld Hervormde Kerk over de katholiciteit in zijn denominatie en andere Gereformeerde kerken. Prof. Vlastuin durft eerlijk in de spiegel te kijken en komt met opmerkelijke conclusies, hij durft stellige conclusies trekken. Hier enkele opmerkelijke citaten van hem:

“De eenheid van de Rooms-Katholieke Kerk houdt ons inderdaad een spiegel voor. We zijn zo modern dat we niet eens meer lijden onder de verscheurdheid.”

...

“Dat de kerk voor hen echt het lichaam van Christus is. Dat kun je je niet concreet genoeg voorstellen. Men dacht vanuit de zichtbare kerk en vanuit het geheel. Eén hoofd met een ongedeeld lichaam. Als de kerk werkelijk het lichaam van Christus is, kan er maar één kerk zijn. Die twee zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Christus is present in het lichaam. Cyprianus benadrukt daarnaast dat de kerk de tempel van de Heilige Geest is. In de kerk ben je dus in aanwezigheid van de Geest.”

...

“Bij elke scheuring van de kerk verlies je iets van de volheid van het geloof. In mijn boek gebruik ik het beeld van een bloem waar alle blaadjes uit getrokken zijn. Dat is de situatie van vandaag. We zien losse blaadjes in de vorm van denominaties. Die hebben iets te maken met de bloem, maar ze zijn het niet meer. Je kunt de blaadjes bij elkaar leggen, maar daarmee heb je de bloem niet terug. Het geheel is meer dan de som van de delen.”…” We hebben het over de blaadjes, niet over de bloem. Afgezien van de vraag of de blaadjes nog leven.”

...

“Onze grondhouding is vaak dat wij over de waarheid beschikken. Vervolgens kijken we om ons heen of er nog mensen zijn bij wie we geestelijke herkenning ervaren. Zo maak je jezelf tot uitgangspunt. Heel wezenlijk is voor mij wat Paulus zegt in Efeze 3:19. We hebben al de heiligen nodig om iets te verstaan van de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte van de liefde van Christus. Dat is anti-exclusief: een denken vanuit het geheel en vanuit Christus. Het benadrukken van het eigene van de denominatie waartoe we behoren is in z’n ultieme vorm het kenmerk van een sekte.”

...

We zullen moeten erkennen dat we de kerk als lichaam van Christus kwijt zijn”, stelt u in uw boek. Dat is nogal een uitspraak.

„Ja, we zien wel denominaties, maar zien wij de kerk als lichaam van Christus? Door mijn onderzoek ben ik me nog meer bewust geworden van de gebrokenheid en mijn verlegenheid met die situatie. Aan de andere kant beleef ik nu bij het betreden van de kerkzaal op zondag bewuster dat ik in het lichaam van Christus en in de tegenwoordigheid van Hem treed. En dat het dáár moet gebeuren. De ontmoeting met God is er in de eerste plaats in de kerk, en pas in de tweede plaats in de binnenkamer. Deze volgorde is onomkeerbaar. In de kerk zijn we op de heiligste plaats in de wereld; de brandende braambos.”


De analyse van prof. Van Vlastuin is grofweg goed, en terecht worden grote woorden gebruikt tegen de versplintering in Gereformeerde kring, maar nu nog de daad bij het woord voegen……

Voor mij is het individualisme in de gereformeerde kerken een belangrijk reden geweest om Rooms Katholiek te worden. Zie ook dit artikel over de Dogmatiek van Prof. Bavinck.

Boeiend in dit kader is ook volgend artikel over de blijvende en positieve kenmerken van de ware Kerk.

“Het is duidelijk dat de Kerk een beschikbare gids moet zijn voor armen zowel als rijken, geleerden en niet-geleerden, haar kenmerken moeten erg simpel, helder en begrijpelijk zijn. Deze kenmerken moeten niet afhankelijk zijn van opleiding, niet naar voren gebracht worden door een zeer diepzinnige redenering, maar moeten direct de verbeelding aanspreken en het gevoel prikkelen. Ze moeten een soort intern bewijs in zich dragen die de voortdurende discussie overstijgt en die de waarheid zelfevident maakt.”


- John Henry Cardinal Newman, Essays, I, noot 4 -

maandag 24 juli 2017

Lezingen van Hans Schouten gehouden in Salvator parochie

Via deze link kunt u onderstaande 11 lezingen van wijlen pastoor Hans Schouten beluisteren. Van harte aanbevolen:

De Heilige drie-eenheid

De kerk van toen is de kerk van nu

Als de dood niet dood is, wat dan wel?

Het Vaderschap van God

Maria en heiligen

Incarnatie

Kruis en opstanding

Eucharistie en misoffer

Christendom tussen Islam, Boeddhisme en Hindoeïsme

Eucharistie vanuit het Oude Testament

Het kruis

§ 50. De Katholieken vereren de Heiligen; is dat niet in strijd met het eerste gebod?

ZESDE HOOFDSTUK - Heiligenverering

§ 50. De Katholieken vereren de Heiligen; is dat niet in strijd met het eerste gebod?


Het eerste gebod luidt: ‘Ik ben de Heer, uw God, ge zult geen andere goden naast mij hebben.’ De Katholieken zien of vereren de Heiligen niet als ‘goden’, dus is de Heiligenverering niet in strijd met het eerste gebod.

Maar gaan wij verder. Stelt u zich eens voor dat een koning tot zijn volk zou zeggen: ik alleen ben uw koning, en ik wil niet dat gij andere koningen buiten mij erkent. Zouden we daaruit kunnen opmaken dat het volk geen eerbied mocht bewijzen aan diegenen die bij de koning zelf hoog in eer en aanzien staan, zoals bijv. zijn eigen moeder, zijn hoveling of zijn vrienden? Absoluut niet. Het volk zou aan de eerbied, die ze de koning schuldig zijn, alleen tekort doen als het naast hem een andere vorst huldigde of de vrienden van de koning gingen eren in plaats van de koning of deze met hem op één en dezelfde lijn zette.

Sla een Katholieke Catechismus open en u zult zien dat de Katholieke Kerk de Heiligen zeker niet dezelfde waarde doet toekomen dan zij doet voor God, en zij dezen al helemaal niet in plaats van God vereert. En u zult zien dat zij de heiligen niet vereren als God, maar gewoon als bijzondere dienaren en vrienden van God. En is dit niet redelijk en gepast? Of zouden de Heiligen die om hun deugd en trouw, door God bijzonder worden geëerd, ook niet door de mensen geëerd mogen worden? Of zouden de Heiligen niet de bijzondere vrienden van God zijn? Mogen, of nee, moeten wij niet diegenen eren die God eert? En als wij hen juist eren omdat God hen eert, eren wij dan niet God in hen zelf? Als ik uw kinderen liefheb omdat u mijn vriend bent of uw moeder eer omdat zij uw moeder is, gaat dan de eer en liefde die ik voor hen heb niet op u terug? Hier dus net zo goed.

Was Maria (de bruid van Jozef) niet de moeder van Christus en dus de Moeder van Hem, die werkelijk God en Koning der Koningen is? Wij lezen dat Christus ook aan haar onderdanig was, en Hij (hét voorbeeld van deugd en heiligheid) heeft ongetwijfeld meer eerbied en liefde gehad voor Zijn Moeder, dan ooit het braafste kind heeft gehad. Maar hoe kan men dan de Katholieken verwijten dat zij bewondering en genegenheid tonen voor Haar, die God zelf op aarde zo eerde en liefhad, en in de hemel blijft eren en liefhebben.

Men vindt het gepast dat de Moeder van de aardse koning wordt geëerd, maar waar blijft dan het gezond verstand, als men nog durft te beweren dat de Moeder van de Koning der Koningen niet geëerd hoeft te worden? Ik weet dat niet alle Protestanten over dit punt van de Katholieke leer even onredelijk denken; maar toch heb ik af en toe Protestanten ontmoet die zelfs over Maria, de moeder van Christus (dan heb ik het nog niet over de andere heiligen) met de grootste minachting durfden te spreken. Dan vraag ik me af: is dat redelijk, of is het godslasterend?

dinsdag 27 juni 2017

§ 49. Maar de Roomse Mis is toch duidelijk een verloochening van het Kruisoffer en daarom een duivelswerk?

Rustig maar, vriend, voorzichtig. Bedenk wel even dat de hele Katholieke Kerk het H. Misoffer van het begin af aan heeft beschouwd als het heiligste en meest verheven wek van de hele christelijke godsdienst. Vijftienhonderd jaar was er verlopen voordat de zogenaamde Hervorming ons kwam vertellen dat de Mis absoluut moest worden afgeschaft, omdat, zoals zij beweerden, de leer van de Katholieke Kerk over de H. Mis tekort deed aan de oneindige waarde van het Kruisoffer. De Mis was volgens hen niets meer of minder dan een verloochening van het ene Offer, dat Christus eens voor ons op de Calvarieberg heeft opgedragen.

Ik denk, lezer, als u iets dieper nadenkt, zal waarschijnlijk snel de vraag bij u opkomen hoe het dan mogelijk is dat tijdens de voorafgaande 15 eeuwen, van die verloochening van het Kruisoffer, (d.i. het werkelijke verlossingswerk) door niemand iets werd opgemerkt. In dit tijdperk zijn er toch honderden katholieke geleerden geweest, die het echt niet ontbrak aan verstand of scherpzinnigheid. Zouden bijv. godgeleerden zoals H. Thomas van Aquino, H. Bernardus, H. Anselmus en zoveel andere uitmuntende mannen, wiens namen ik in de vorige paragraaf heb genoemd, niet genoeg op de hoogte zijn geweest van de leer van de Katholieke Kerk? Integendeel, juist omdat zij daarvan volkomen op de hoogte waren, konden zijn van die verloochening van het Kruisoffer niets merken; en ik geloof, dat u er ook niets meer van merken zult, als ik u de katholieke leer laat zien zoals zij werkelijk is.

Kijk maar. Volgens de leer van de Katholieke Kerk is de H. Mis een waarachtige, onbloedige Offerande, waarin Christus zich onder de gedaanten van brood en wijn aan Zijn hemelse Vader voor ons opdraagt.

Maar leert de Katholieke Kerk daarom, dat het bloedig Offer van Christus aan het kruis niet genoeg is voor onze verlossing? Nee, dat leert zij absoluut niet. Integendeel, zij leert, net als alle orthodoxe Protestanten, dat Christus door zijn bloedig offer aan het kruis niet alleen een toereikende, maar zelfs een overvloedige voldoening, een voldoening van oneindige waarde, heeft gegeven voor alle zonden van de hele wereld. Zij leert dat de genadeschat die Christus voor ons door Zijn Kruisoffer heeft verdiend, onuitputtelijk groot is en dus meer dan voldoende is, om alle mensen voor eeuwig zalig te maken. De Katholieke Kerk erkent dus, dat de losprijs voor onze zondeschuld aan het kruis door Christus helemaal werd afbetaald. Door dat bloedig offer werd het werk van onze verlossing in zoverre helemaal voltrokken, dat alle genaden die ons ooit worden geschonken, daar aan het kruis werden verdiend.

Maar wij moeten delen in de genaden en verdiensten van dat bloedig Kruisoffer; de eens gestorte losprijs moet ons worden uitbetaald, en inderdaad ons bezit worden, zodat iedereen, daarmee strijdend, de hemel kan verdienen. (Verg. Luc 19, 13 e.v.) Dit gebeurt door de genademiddelen die Christus daarvoor aan Zijn Kerk heeft geschonken en hierbij hoort vooral het onbloedig H. Misoffer.

Wanneer dus, volgens de leer van de Katholieke Kerk, Christus in het H. Misoffer zich voor ons opdraagt, dan is dat niet om bij de verdiensten van zijn Kruisoffer nog andere, nieuwe verdiensten te voegen; maar alleen om dezelfde oneindige verdiensten van Zijn kruisdood op ons toe te passen.

Hier zien we dus in een paar zinnen de leer van de Katholieke Kerk over de waarde van het H. Misoffer en u ziet meteen, dat door die leer, aan de oneindige waarde van het bloedig Kruisoffer hoe dan ook geen afbreuk wordt gedaan; integendeel, omdat wij belijden dat de H. Mis al haar heiligende kracht alleen uit de verdiensten van Christus’ Kruisoffer put, zien we hierdoor alleen maar duidelijker de oneindige waarde van Christus’ Kruisoffer.

zondag 18 juni 2017

§ 48. Is de eerbied die de Katholieken hebben voor het Sacrament van het Altaar geen afschuwelijke afgoderij?

VIJFDE HOOFDSTUK - Het H. Sacrament van het Altaar

§ 48. Is de eerbied die de Katholieken hebben voor het Sacrament van het Altaar geen afschuwelijke afgoderij?

Het is absoluut waar dat de Katholieken de H. Hostie of het Heilig Sacrament van het Altaar aanbidden. Als dat afgoderij zou zijn, is het echt droevig gesteld met hen, want een afgodendienaar zijn is werkelijk iets afschuwelijks.

Laten we dus eens kijken of de Katholieken zich inderdaad aan die gruwel schuldig maken. In het laatste Avondmaal nam Christus zoals we weten, het brood in Zijn handen, zegende en brak het terwijl hij zei: ‘Neemt en eet, dit is Mijn lichaam’. Ook nam Hij de kelk en sprak: ‘Drinkt hier allen uit, dit is Mijn bloed; doet dit tot Mijn gedachtenis.’ (Matth. 26, 26-28; Mark. 14, 22-24; Luc. 22, 19-20; 1 Kor. 11, 23-25.)

Betekenen deze woorden nu wat zij zeggen, dan was datgene wat Christus hier tot spijs en drank aanbood, werkelijk zijn eigen goddelijk Lichaam en Bloed. Maar moeten zij begrepen worden in een figuurlijke zin, bijv. heeft Christus alleen willen zeggen: dit betekent Mijn Lichaam, dit betekent Mijn Bloed, dan was datgene wat Christus hier gaf als spijs en drank, niet werkelijk Lichaam en Bloed, maar gewoon brood en wijn.

Alles hangt dus af van de vraag, hoe we deze woorden van Christus moeten interpreteren, letterlijk of figuurlijk?

Merken we eerst op, dat die allerbelangrijkste woorden, in de letterlijke zin verstaan, heel duidelijk en eenvoudig zijn, en wanneer we het in de figuurlijke zin bekijken, tot zoveel verschillende verklaringen aanleiding geven, dat er in de tijd van Luther zelf al dozijnen van waren.

Merken we ten tweede op dat het een vaste regel van de Schriftverklaring, of liever van alle uitlegging is: versta de woorden in de letterlijke zin zolang het nog niet duidelijk is dat het figuurlijk bedoeld wordt. En waaruit zou dat hier moeten blijken? Nergens uit.

Bovendien, welke woorden had Christus dan moeten gebruiken, als hij ons inderdaad Zijn Lichaam en Bloed onder de gedaanten van brood en wijn had willen geven? Hij kon namelijk niet eenvoudiger en helderder spreken.

Maar dit alles buiten beschouwing gelaten, zou u echt denken dat Christus de beslissing van zo’n belangrijke vraag, of Zijn woorden hier nu zus of zo moet worden verstaan, zo maar aan het oordeel van iedereen zou overlaten? Dat Christus iedereen het recht heeft gegeven om op eigen gezag te bepalen wat deze woorden betekenen? Nee, daar kunnen we, met recht, gewoon niet van uit gaan.

Al week Luther zover van de leer van de Katholieke kerk af dat hij niet geloofde, dat door die woorden van Christus het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus werden veranderd, toch leerde hij dat Christus met en in het brood en de wijn, werkelijk Zijn goddelijk Lichaam en Bloed tot spijs en drank gaf.

Calvijn daarentegen beweerde, dat wat Christus aan Zijn Apostelen schonk, eigenlijk en werkelijk niets anders was dan brood en wijn.

Deze twee uitleggingen hebben een hemelsbreed verschil. De één zegt: Christus zelf is er, maar met en in het brood; de ander zegt: Christus zelf is er niet, er is alleen brood. Moeten we zelfs niet toegeven dat Luther’s opvatting meer verschilt van die van Calvijn, dan van de Katholieke Kerk zelf? Aan welke van de twee moet men zich nu houden? Wie van hen kwam het dichtst bij de waarheid? Of zou dat niet uitmaken? Zou het Christus koud laten welke betekenis men aan Zijn woorden geeft? Of men nu gelooft dat Hij in het Sacrament tegenwoordig is of niet, en daar naar handelt? Daar zou niets van waar zijn.

Het is dus niet mogelijk dat Christus iedereen het recht zou hebben gegeven om op eigen gezag te beslissen, wat Hij eigenlijk met Zijn woorden bedoelde. Nee, dat recht hebben alleen de dragers van het leergezag van Zijn Kerk, tot wie Hij heeft gezegd: ‘Gaat en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen.’ ‘Onderwijst alle volken en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.’ (Mark.16, 15; Matth. 28, 19)

Van de Kerk krijgen wij dus te horen wat Christus heeft geleerd, zij moet beslissen, welke betekenis de woorden van Christus hebben. En op haar beslissing kunnen wij volkomen vertrouwen. Waarom? Omdat Christus heeft beloofd haar de Geest der waarheid te zenden, die met haar zal blijven in eeuwigheid; en Hij heeft ook gezegd: ‘Ik ben met u tot aan het einde der eeuwen’.

Ook heeft Christus tot Zijn Kerk gezegd: ‘Wie u hoort, hoort Mij, wie u versmaadt, versmaadt Mij.’ Christus heeft ons dus in geweten verplicht, de leer van Zijn Kerk als Zijn eigen leer te erkennen en te geloven. Maar het is duidelijk dat Christus ons dat niet zou kunnen verplichten als hij ooit zou toelaten dat Zijn Kerk iets zou leren, wat met Zijn leer in strijd is, zoals wij hierboven uitvoerig hebben laten zien.

Hoe werden dan die belangrijke woorden die Christus sprak tijdens het laatste Avondmaal, altijd door de Kerk uitgelegd en opgevat?

Het is zeker, dat tot aan de tijd van de Hervorming (tot aan het begin van de 16e eeuw) het hele Christendom die woorden van Christus letterlijk opnam, in dezelfde zin als het nu nog door de hele Katholieke Kerk wordt opgevat en verklaard.

Ook is het zeker, dat alle kerken en godsdienstige sekten, die zich in die tijd met enige schijn van reden zich ‘Kerk van Christus’ durfde te noemen, geloofden en leerden, dat door de woorden van Christus: ‘Dit is Mijn lichaam... dit is Mijn bloed,’ het brood en de wijn werkelijk in het lichaam en bloed van Christus werden veranderd, zodat Christus ons geen brood of wijn, maar werkelijk Zijn eigen lichaam en Bloed te eten en drinken gaf.

Ook geloofde toen iedere Christen dat in de H. Mis, wanneer de priester deze woorden herhaalt, weer diezelfde wonderbare verandering plaatst heeft, zodat, zodra de priester deze woorden heeft uitgesproken, Christus werkelijk en wezenlijk op het altaar tegenwoordig is in de gedaanten van brood en wijn.

Pas in de 11e eeuw trad een zekere Berengerius tegen dit geloofspunt op en probeerde een andere leer te verspreiden. Maar zijn poging mislukte. Zijn leer werd algemeen veroordeeld en verworpen en het hele Christendom ging rustig door met steevast te geloven dat Christus werkelijk tegenwoordig is in Zijn H. Sacrament.

Zo stonden de zaken nog in het begin van de 16e eeuw. Toen werd de Katholieke leer over de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament nog algemeen geloofd en beleden, niet alleen door de Katholieken zelf, maar zelfs ook door die sekten, die zich al lang geleden van de Katholieke Kerk hadden losgescheurd.

Maar dan is het toch duidelijk, dat die leer ook de leer moet zijn geweest van de ware Kerk van Christus? De kerk namelijk die, volgens u in die tijd de ware Kerk van Christus was, moet toch in ieder geval een van die kerken zijn die toen bestonden.

Of gelooft u dat de ware Kerk toen niet meer bestond en spoorloos verdwenen was? Dat kan immers niet; dat zou regelrecht in strijd zijn met de belofte van Christus dat hij met ons zou zijn tot aan het einde van de eeuwen.

Was ze toen misschien onzichtbaar? Dat is net zo goed onmogelijk. De ware Kerk van Christus, zoals we al hebben gezien, moet zichtbaar zijn, zij moet gezien en gekend kunnen worden. Om dit nog even aan te stippen, Christus wil uitdrukkelijk dat alle mensen zich aan de leer en de leiding van Zijn Kerk onderwerpen; maar hoe zouden de mensen die wil van Christus kunnen volbrengen als Zijn Kerk onzichtbaar en daarom onherkenbaar was?

Wij moeten daarom dus zo redeneren:

De leer, dat de woorden van Christus: ‘dit is Mijn Lichaam.... dit is Mijn Bloed’, letterlijk moeten worden opgevat, dat dus Christus in het Heilig Sacrament onder de uiterlijke tekenen van brood en wijn werkelijk tegenwoordig is, was de leer van alle Christen kerken die tot in het begin van de 16e eeuw bestonden; tot die Christen kerken  die in het begin van de 16e eeuw bestonden, hoorde ongetwijfeld ook de ware Kerk van Christus; daarom was de leer, dat Christus werkelijk in het Heilig Sacrament tegenwoordig is, toen ook de leer van de ware Kerk van Christus.

En als dit zo is, dan is het weer één van beide: of die leer is vals, en dan heeft de Kerk van Christus vijftien eeuwen lang gedwaald in één van de belangrijkste geloofspunten; óf die leer is waar, en dan is de godsdienst die dat leerstuk ontkent, niet de ware Kerk van Christus. Kies wat u wilt.

Toch zou ik ook hier weer graag het volgende willen opmerken:

Vijftienhonderd jaar werd de leer van de Katholieke Kerk over de ware tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament door de hele christenwereld geloofd en beleden. Zij werd niet alleen door het gewone volk geloofd en beleden, maar ook door iedereen die zowel door talenten en geleerdheid als door heiligheid hebben uitgemunt; door alle Kerkvaders en martelaren, door al de leraren die de H. Kerk heeft voortgebracht. En dan staat in de 16e eeuw een Luther, een Calvijn op, om aan de wereld die verrassing mee te delen dat die leer in strijd is met de waarheid en dat de Katholieken, door aan het H. Sacrament een goddelijke eer te bewijzen, zich schuldig maken aan de schandelijkste afgoderij.

De H. Thomas van Aquino, H. Bernardus, H. Anselmus, H. Gregrius de Grote, H. Leo, H. Johannes Chrysostomus, H. Cyrillus en zo veel anderen, die niet alleen om hun buitengewone deugd, maar ook om hun buitengewone geleerdheid het sieraad waren van hun tijd, zij zijn dus of zo onnozel geweest om van die afgoderij niets te merken, óf wat nog erger is, zo slecht dat zij zich met opzet aan afgoderij schuldig hebben gemaakt.

Neem mij niet kwalijk, lezer, dat wil er bij mij niet in. Om zo iets te geloven eis ik overtuigende bewijzen, en daarvoor ben ik niet tevreden met de verklaring van een Luther of Calvijn, die juist in hun leer over het H. Sacrament, elkaar bovendien vierkant hebben tegengesproken.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 10 juni 2017

§ 47. Is het Vagevuur, waarin de Katholieken geloven, niet slechts een verzinsel?

VIERDE HOOFDSTUK - Het Vagevuur


§ 47. Is het Vagevuur, waarin de Katholieken geloven, niet slechts een verzinsel?


De Katholieke Kerk leert, dat de zielen van diegenen die in Gods liefde zijn gestorven, maar toch bij de dood niet volledig waren gezuiverd van kleine fouten of van tijdelijke straffen, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen, voordat ze de hemel kunnen ingaan. De plaats waar de zielen die straffen moeten ondergaan, noemen wij in onze taal meestal het ‘Vagevuur’ d.i. zuiverings- of louteringsvuur, en nog duidelijker in de taal van de Kerk: ‘Purgatorium’ d.i. Zuiveringsplaats.
Hoe komt de Katholieke Kerk aan die leer? Want soms wordt haar verweten dat zij die gewoon verzonnen heeft en dat die leer absoluut niet is ingesloten in de goddelijke Openbaring. Is dit een gegrond verwijt?

Laten we kijken. In de H. Schrift, in 2 Makk. 12, lezen we het verhaal dat Judas, de veldheer van het Joodse leger, twaalfduizend drachmen naar Jeruzalem zond, om offers op te laten dragen voor zijn gesneuvelde soldaten. Daarop laat de H. Schrift onmiddellijk deze merkwaardige woorden volgen: ‘Bovendien overwoog hij, dat zij, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost’. (2 Makk. 12, 45) De H. Schrift verklaart dus, dat het goed en nuttig is voor de overledenen te bidden. Maar wie zijn dan die overledenen voor wie het goed is te bidden, zodat ze van hun zonden worden verlost? Vast niet de verdoemden in de hel. Zij kunnen namelijk niet worden geholpen door ons gebed, uit de hel, ‘het eeuwige vuur’ is geen redding mogelijk. Zijn het dan de Heiligen in de hemel? Zij evenmin, zij hebben geen schuld bij God en daarom ook geen behoefte aan onze voorbede. Alhoewel de H. Schrift het niet met heel veel woorden zegt, geeft zij toch duidelijk te kennen, dat er, behalve de hemel en de hel, nog een derde plaats moet zijn, waar die zielen worden opgehouden, die met kleinere schulden zijn gestorven en door onze gebeden van die schulden kunnen worden verlost.

Ik denk dat dit bewijs voor iedere Katholiek meer dan genoeg is. Ik zeg: voor iedere Katholiek; want de Protestanten hebben, met verschillende andere boeken, ook de boeken van de Makkabeën, verworpen. Zij erkennen niet dat zij deel uitmaken van de H. Schrift, en voor hen hebben dus de daaruit aangehaalde woorden hun bovennatuurlijke of goddelijke waarde en bewijskracht verloren; Ze zouden bij hen alleen voor de hoge ouderdom van de leer van het Vagevuur kunnen pleiten. Naar hun goeddunken wil ik mij daarom op nog een paar andere wijzen beroepen.

De H. Johannes verzekert ons in het boek Openbaring uitdrukkelijk, dat ‘niets wat besmet is de hemel kan binnengaan’ (21, 27). En is dit ook niet duidelijk? Want hoe zou onafgeloste schuld of straf samen kunnen gaan met volkomen geluk? Moet, zelfs in het gewone leven, iedere rekening niet naar behoren betaald worden? Hoe veel meer onze rekening bij God?

Wij zijn dus zeker, dat men helemaal zuiver en vlekkeloos moet zijn, om tot het geluk van de hemel te worden toegelaten. Maar nu zijn er ongetwijfeld heel veel mensen die bij hun sterven misschien wel geen grote, maar toch veel kleine zonden op hun geweten hebben. Ook kan het gebeuren, zoals we in de vorige paragraaf hebben gezien, dat iemand bij zijn dood, voor al vergeven zonden, groot of klein, nog wat tijdelijke straf bij God schuldig is. Voor de zielen van zulke overledenen blijft dus de hemel gesloten zolang zij met die schuldenlast beladen zijn.

Maar kunnen we er van uitgaan dat die zielen om zulke kleine fouten, bijv. een paar kleine leugens, een kleine onrechtvaardigheid of ongehoorzaamheid, nooit het geluk van de hemel mogen ervaren? Kunnen we ons voorstellen dat God die zielen om zulke kleine misstappen voor eeuwig, met de verdoemden, naar de hel zal sturen? Nee, zoiets komt niet overeen met Gods oneindige goedheid en rechtvaardigheid. Daarom zegt ons gezond verstand, dat er, behalve de hemel en de hel, wel een plaats moet zijn waar de zielen, die na hun sterven nog schuld aan Gods rechtvaardigheid moeten aflossen, volkomen gelouterd moeten worden voordat ze in de volle heerlijkheid van de hemel kunnen worden opgenomen.

Een derde bewijs levert ons het algemeen gebruik om voor de overleden zielen te bidden, dat al vanaf de eerste eeuwen in de Kerk bestaan heeft. In de 7e eeuw schrijft de H. Isodorus van Sevilla: ‘Wij geloven dat het bidden voor en het opdragen van het H. Misoffer voor de zielenrust van de overledenen en voor hen te bidden, ons door de Apostelen is overgeleverd, omdat dit gebruik overal in de Kerk wordt onderhouden.[1]

Al even duidelijk zijn de woorden van de H. Augustinus: ‘Men mag er niet aan twijfelen dat, door de gebeden van de Kerk en door het H. Misoffer, en net zo goed door het geven van aalmoezen, die omwille van de overledenen aan God worden geofferd, de zielen van de overledenen worden geholpen, zodat God barmhartiger voor hen zal zijn dan zij om hun zonden verdienen. Want dit gebruik om voor de overledenen te bidden, dat ons door onze voorvaderen werd overgeleverd, wordt door de hele Kerk onderhouden.[2]

Hier zouden we nog de getuigenissen kunnen toevoegen van de H. Chrysostomus, van de H. Cyrillus en van zoveel anderen; maar voor iets dat zo algemeen bekend is, zal dat wel niet nodig zijn.

Om toch nog iets toe te voegen, wil ik even in herinnering brengen hoe de H. Augustinus zelf in zijn Belijdenissen beschrijft dat zijn voorbeeldige moeder Monica op haar sterfbed hem verzocht, haar te gedenken aan het altaar van de Heer, en hoe hij ons tegelijk verzekert, dat hij na haar dood trouw voor haar zielenrust heeft gebeden.

Nu zal de Kerk waar de H. Augustinus, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Cyrillus en de H. Isodorus bij hoorden, toch wel de ware Kerk van Christus geweest zijn. Nou, in die Kerk bestond het algemeen gebruik om voor de overledenen te bidden. Maar zou de Kerk dat gedaan hebben als zij geloofde dat de zielen van de overledenen altijd of naar de hel of regelrecht naar de hemel gingen? Nee, de Kerk wist en leerde openlijk, dat diegenen die in de hemel zijn, ons gebed niet nodig hebben, en ons gebed voor de verdoemden in de hel absoluut nutteloos zou zijn. Daarom geloofde zij ook dat er behalve de hemel en de hel, een andere plaats bestaat, waar de zielen van diegenen die niet vanwege zware zonden naar de hel zouden worden gestuurd, maar toch niet zuiver genoeg zijn om onmiddellijk toegelaten te worden tot de hemel, gezuiverd moeten worden van haar zonde en schuld, en door onze gebeden verlicht en geholpen kunnen worden; en deze plaats noemt men de plaats van zuivering of het Vagevuur.



[1] 1 De Eccles offic. 1 Cap. 18: 11.